Met de vroege landbouw kwam ook de huismus

Biologie

Het DNA van de huismus is in kaart gebracht. De soort evolueerde toen de mens landbouw uitvond. De mus leerde zetmeel te verteren.

Huismussen. Foto iStock

Wat heeft de huismus gemeen met soorten als de bruine rat, de bedwants en de hoofdluis? Ze zijn allemaal cultuurvolgers, aangepast aan een leven in de buurt van de mens. Van huismussen is zelfs bekend dat ze plaatselijk uitsterven als een nederzetting verlaten wordt. Ondanks die nabijheid was er van de evolutie van de huismus heel weinig bekend. Daarom hebben Noorse biologen, samen met collega’s uit Iran en Kazachstan, nu het genoom van de vogelsoort in kaart gebracht – en zo geanalyseerd hoe die afhankelijk van de mens werd, schrijven ze deze week in Proceedings of the Royal Society B.

De huismus (Passer domesticus) komt vrijwel wereldwijd voor: aanvankelijk leefde de soort in Europa en Centraal-Azië, maar door de eeuwen heen werd hij ook (al dan niet opzettelijk) geïntroduceerd in Australië, Nieuw-Zeeland, Noord- en Zuid-Amerika en zuidelijk Afrika.

Lees ook: De stad is een speeltuin voor de evolutie van soorten

Afgesplitst van de bactrianusmus

Zo’n 11.000 jaar geleden blijkt de huismus zich te hebben afgesplitst van de bactrianusmus (Passer domesticus bactrianus), een huidige ondersoort die in het Midden-Oosten en op de steppes van Centraal-Azië leeft. De bactrianusmus gedraagt zich heel anders dan de huismus: hij migreert, blijft uit de buurt van mensen en voedt zich vooral met zaden van wilde grassen, niet met de zaden van landbouwgewassen. Dat is ook aan de bouw van de kop te zien: de snavel is iets kleiner dan die van de huismus.

In de periode van de afsplitsing vond de Neolithische revolutie plaats: de landbouwrevolutie waarbij rondtrekkende jager-verzamelaars zich begonnen te vestigen in nederzettingen. Op basis van een computermodel concluderen de biologen dat er rond 6.000 jaar geleden een toename in het aantal huismussen te zien was, gelijktijdig met de uitbreiding van de landbouw.

De onderzoekers wilden achterhalen welke genen betrokken waren bij die afsplitsing. Ze vonden twee kandidaatgenen: het ene gen beïnvloedt de ontwikkeling van de schedel, het andere zorgt voor aanpassing aan zetmeelrijke voeding – handig voor een soort die in de buurt van mensen wil overleven. Datzelfde ‘zetmeelgen’ is ook bij honden aangetoond.

Naast het DNA van huismussen en bactrianusmussen onderzochten de wetenschappers ook dat van Spaanse mussen (Passer hispaniolensis) en Italiaanse mussen (Passer italiae), die niet nauw samenleven met de mens. Deze soorten vertonen qua gedrag veel meer overeenkomsten met de bactrianusmus dan met de huismus.

    • Gemma Venhuizen