Er is meer in het leven dan atletiek, zegt Sintnicolaas

EK atletiek In een hoekje van het stadion begint meerkamper Eelco Sintnicolaas te huilen. „Kan en wil ik dit nog wel?”

Meerkamper Eelco Sintnicolaas op het onderdeel verspringen, voordat hij uitviel bij de EK. „Ik kan met springen niet hard afzetten.” Foto Filip Singer/EPA

Dinsdagavond, vijf voor acht. De persvoorlichter van het Nederlands atletiekteam stuurt een bericht dat begint met een rood uitroepteken. ‘Eelco stapt uit de meerkamp vanwege een opspelende enkel – nog geen verdere toelichting’. Zijn tienkamp is pas vier onderdelen onderweg, maar net als twee jaar geleden gaat Eelco Sintnicolaas (31) de finish niet halen. Dit keer is dag één zijn eindstation.

Bij het verspringen voelde hij dat zijn rechterenkel „geprikkeld” was, maar dat is voor hem normaal. Hij tobt er al zowat een decennium mee, zet verdovende injecties en neemt soms corticosteroïden om een ontsteking af te remmen. Telkens moet hij de pijn verbijten, maar dat doet hij graag als een meerkamp lekker draait. Dan zorgen de endorfines voor een effectieve pijnstilling. Maar in Berlijn loopt het voor geen meter.

De 100 meter boven de 11 seconden, net aan 7 meter bij het verspringen, 14 meter en een beetje met een kogel – het zijn geen prestaties waarbij hij uitzicht houdt op eremetaal, verre van dat. En dan moet het hoogspringen nog beginnen, het onderdeel dat al zo vaak het einde van zijn meerkamp inluidde, omdat de krachten op zijn fragiele gewrichten groter zijn dan ze kunnen verdragen. Het is de vlijmscherpe bocht naar rechts tijdens de aanloop en vervolgens de blokkerende beweging met het afzetbeen dat Sintnicolaas ook dinsdag de adem beneemt, alsof er een mes in het gewricht wordt gezet.

Hij haalt zijn aanvangshoogte van 1.81 meter, maar daarna stokt het.

Na elke poging worden de blauwe ringen onder zijn ogen dieper

Na elke poging worden de blauwe ringen onder zijn ogen dieper, zijn haar zit warrig, hij oogt ouder dan hij is. De pijn krijgt de overhand. Hij koelt met ijs, jogt wat, maar weet wel beter. Sintnicolaas moet stoppen. Voor de zesde keer verlaat hij een groot toernooi door de achterdeur. Hij zondert zich af, en begint in een hoekje van het imposante olympisch stadion van Berlijn te huilen. Er zwermen honderdduizend gedachten door zijn hoofd: waarom nu, waarom ik, waarom wéér? Hij appt met de woordvoerder: waar kan ik de media te woord staan?

De meerkamper die zichzelf coacht, dat is Eelco Sintnicolaas. Lees ook: ‘Niemand die zegt wat ik moet doen’

Grote vragen

In de catacomben verschijnt een man die overmand door emoties stoeit met grote vragen. „Voor het eerst vraag ik me af: kan ik dit en wil ik dit nog wel?” Hij vertelt in een tijdsbestek van een paar minuten dat hij zes weken geleden een scheur in zijn lies opliep, dat hij heel lang getwijfeld heeft of hij wel naar Berlijn zou afreizen en dat hij pas drie weken geleden weer kon sprinten. Maar op een groot toernooi wil hij zich juist laten zien, in de wetenschap dat hij zich in de nadagen van zijn loopbaan bevindt. Meerkampers krijgen niet zo veel kansen. Ze kiezen hun piekmomenten zorgvuldig uit, en dan acteren ze het liefst in een stadion met 34.000 mensen.

Sintnicolaas vertelt over de afweging die hij maakte. „Ik kan met springen niet hard afzetten. Dan vraag je jezelf af: wat heb ik hier nog te winnen? Objectief stel je vast: niets. Beter stop ik dan nu en ga ik volgende maand naar Talence [tienkamp in Frankrijk]. Ik ben 31, wil nog een paar mooie meerkampen doen. Ik weet dat ik het kan, kijk maar naar dat Nederlands record van vorig jaar. Maar hoe? Daar moet ik over nadenken. Nu voel ik vooral dat ik gefaald heb”, besluit hij, om dan af te druipen, het hoofd tussen de schouders, de blik naar de grond.

Ik weet dat ik het kan, kijk maar naar dat Nederlands record van vorig jaar. Maar hoe?

Eelco Sintnicolaas

Op zijn telefoon stromen de berichtjes binnen. Die van zijn oud-trainer Vince de Lange koestert hij: ‘Je krijgt vast duizend adviezen. Bij mij ben je altijd welkom om te komen kletsen’. Vriendin Elin Westerlund, een Zweedse hordeloopster die woensdag aan de bak moet, had al een lief briefje in zijn spikes achtergelaten maar zegt nu hoeveel respect ze voor hem heeft omdat hij altijd weer op niveau terugkeert na tegenslagen. Hij drinkt nog wat met zijn ouders en keert dan alleen terug naar het Maritim Hotel in West-Berlijn, waar hij één biertje drinkt met de fysiotherapeut van het Nederlands team, en ook met Melissa Boekelman, de kogelstootster wier toernooi eveneens uitliep op een grote teleurstelling. Ze vinden steun bij elkaar.

De nacht die volgt is kort, Sintnicolaas slaapt van half één tot vier. Het maalt in zijn hoofd. Wat als, wat als? En: hoe nu verder? Tegen zes uur stapt hij uit z’n bed, hij neemt een douche en wandelt in alle vroegte naar het hotel van zijn vriendin, die zich klaarmaakt voor haar wedstrijddag. Sintnicolaas neemt de rol van coach aan. Hoeft hij even niet aan zijn eigen sores te denken. Het is van korte duur: Westerlund komt niet verder dan de series. Meteen daarna gaan de tienkampers aan hun tweede dag beginnen. Als het applaus voor hen aanzwelt heeft Sintnicolaas het slecht. Hier had hij ook kunnen staan. Hij wil weg van het gejoel, van de competitie, de confrontatie ook.

Zoveelste deceptie

In een spookachtig leeg restaurant van het atletenhotel vertelt hij twee uur later over de zoveelste deceptie in zijn carrière, en hoe hij daarmee omgaat. Hij kan alweer relativeren – „komt door mijn oom, die is gehandicapt. Ik vind het super wat ik allemaal kan, maar ik weet ook: er is meer in het leven dan atletiek.”

Hij gebruikt medisch vakjargon om uit te leggen wat er door de jaren in zijn lichaam kapot is gegaan – zo vaak kreeg hij met artsen, scans en medicamenten te maken. Die enkel is en blijft het grootste euvel. „Er zit speling op mijn kapsels, als een soort schuiflade bewegen de botten over elkaar. Als ik afzet om te springen ontstaan er botkneuzingen, en dat kan gaan irriteren. Ik denk erover om bij ver- of hoogspringen van afzetbeen te gaan wisselen.” Hij lacht er cynisch bij.

Hij memoreert de WK atletiek van 2009, in hetzelfde stadion, die hij ook na het hoogspringen moest staken vanwege die enkel. Hij herinnert zich de topjaren die volgden, tussen 2010 en 2015 bleef hij gevrijwaard van blessures. „Ik stond denk ik als enige al die tijd in de toptien van de wereld”, zegt hij met gepaste trots. Hij had de buitenkant van zijn enkel onder controle toen hij in 2015 tijdens de befaamde meerkamp van Götzis ten val werd gebracht door de omgevallen horde van een tegenstander. Sindsdien is juist de binnenkant van zijn rechterenkel het probleem. De laatste twee jaar gaf hij achtereenvolgens op bij de EK, de Olympische Spelen, de WK en nu dus de EK. Een orthopeed en een MRI-scan moeten uitwijzen wat er aan de hand is. Echt veel pijn heeft hij niet, alleen als hij zijn enkel kantelt. „Als het de Spelen waren geweest, was ik doorgegaan.” Tokio 2020 is zijn richtpunt, zolang trainen leuk blijft.

Sintnicolaas heeft er een hekel aan dat hij bekend staat als een brekebeen. Natuurlijk wilde hij in Berlijn graag de finish halen, maar niet tegen elke prijs.

    • Dennis Meinema