Weg uit het IJspaleis, de straten op

Burgerspreekuur De Haagse wethouder Rachid Guernaoui (Groep De Mos) gaat op zoek naar de burger en diens zorgen . Over lantarenpalen, straatnummering en vuilcontainers. „Wij moeten veels te ver lopen.”

Bewoners van de Haagse Schilderswijk zijn op een terras op de Haagse Markt in gesprek met wethouder Rachid Guernaoui tijdens een burgerspreekuur.

Er is geen agenda. Geen thema. Geen idee ook of er Hagenaars zullen komen opdagen. En of ze dan vragen hebben aan wethouder Rachid Guernaoui, en welke. Maar de koffie staat klaar in een vergaderzaaltje van het stadsdeelkantoor Loosduinen als hij daar een open spreekuur houdt.

„Ik wil me niet opsluiten in het IJspaleis”, zegt Rachid Guernaoui. Het IJspaleis is – ook in overdrachtelijke zin – de benaming van Hagenaars voor hun witte stadhuis. De wethouder van Groep De Mos trekt liever de stad in, op zoek naar de burger en diens problemen. Zoals het hele college beloofde de komende vier jaar te doen. In het collegeakkoord staat: „Dit stadsbestuur luistert, zoekt de dialoog en werkt samen met de stad.” Groep de Mos werd mede door het contact met burgers de grootste partij in de Haagse raad. Maar als bewoners hem tijdens het spreekuur aanspreken op beloftes van zijn politieke partij, zegt hij steeds snel: „Ik ben hier als wethouder, ik ben er voor iedereen.” Of: „Ik zit hier om extra huiswerk op te halen voor het college.”

Hagenaars mogen hem álles vragen. En wat vragen burgers dan? Ze hebben het over een fietspad waar niet duidelijk bij staat aangegeven of het losloopgebied voor honden ook daar geldt. Over historische lantarenpalen die in de ene straat wel en in de andere niet zijn geplaatst. Een lamp in een bushokje die het niet doet. Meeuwen die in alle vroegte de rust verstoren. Hondenpoep op de speelweiden. Weesfietsen.

Guernaoui zegt: „Als wethouder ga je ook over de grote dingen. Maar de kleine zijn net zo belangrijk.” Als iemand een vraag over een zebrapad heeft, zegt hij: „Ah, mijn favoriete onderwerp.”

Sommige bewoners hebben geen vraag. In Haagse Hout schuift een week later rabbijn Shmuel Katzman aan, om de nieuwe wethouder een bloemetje te geven. Rond de tafel, in het krappe kantoor van de stadsdeeldirecteur, zitten daar vooral wijkvertegenwoordigers.

Komen en gaan

Op de Haagse Markt is het juist een komen en gaan van mensen. Het spreekuur daar wordt gehouden op een terras en niet – zoals in de andere stadsdelen – in een kantoor waar zij zich eerst bij een balie moeten melden. Derwisj Maddoe schuift aan voor de gezelligheid. „Ik vind dit uniek.” Een andere meneer wil gewoon eens zien hoe een wethouder er uitziet.

Tijdens alle spreekuren zijn er Hagenaars die het gevoel hebben dat er tot nu toe slecht werd geluisterd door de gemeente. Mensen met mapjes met eigengemaakte foto’s en kaartjes. Met een lege envelop waarop op de achterkant een geheugensteuntje staat geschreven met wat er allemaal besproken moet worden. Of met alvast een officieel bezwaar tegen een herinrichting. Handiger dan de post, zo’n wethouder die langskomt.

Eén ding hebben bijna alle vragen gemeen: het gaat om de buurt. Om prettig wonen.

Afval en rotzooi verstoren dat. In Loosduinen wil Lenie Oosterlee bijvoorbeeld weten waarom drie van de vijf flats in haar straat wél een ondergrondse vuilcontainer hebben gekregen en twee niet. „Wij moeten veels te ver lopen”, zegt ze. „Sommige bewoners zijn oud en moeten dan met hun scootmobiel zo’n zak wegbrengen.”

Theo Hofman vertelt over het stukje grond naast zijn huis. Er staat een elektriciteitshuisje en totdat hij in samenspraak met de netbeheerder dit afsloot, gooiden onbekenden hun rotzooi daar. „Nu is het poepvrij en onkruidvrij”, zegt hij. Maar het stadsdeel wil de deur die hij plaatste weghebben.

Rond de Haagse Markt ziet Miep Kesseler haar wijk ook vervuilen. „De markt houden ze picobello, daarnaast is het een zooi. Als je dat twittert, dan is het even schoon. Daarna...” Haar buurtgenoten knikken. Bouchra Ouchan zal later vertellen dat er veel te weinig afvalcontainers zijn.

Parkeren is het andere grote onderwerp. In Haagse Hout vreest Jacob Snijder van het wijkberaad Bezuidenhout dat de gemeente bij het berekenen van de parkeerdruk het gemiddelde over het hele stadsdeel bekijkt en dus niet ziet dat de druk in hun wijk groeit. En de naastgelegen wijk Mariahoeve vreest weer de forenzen uit Bezuidenhout: „Wij zijn als de dood dat het probleem opschuift”, zegt Chris Lanesteijn. Snijder: „We willen zo spoedig mogelijk overleg.” Guernaoui: „Wat fijn dat u nu naast elkaar zit.”

Op de Haagse Markt klaagt ondernemer Atalay Çelenk dat sinds de uitbreiding van het betaald parkeren „de economie onder druk staat”. „Deze wijk staat er juist om bekend dat je goedkoop kunt winkelen”, zegt hij. Leroy Pechler knikt en zegt: „Ik werk onregelmatige diensten. Je zou verwachten dat als ik ’s nachts thuiskom, er een plekje is. Niets is minder waar.” Guernaoui heeft goed nieuws: „Het betaald parkeren wordt hier teruggedraaid.”

In het stadsdeelkantoor van Laak, achter station Hollands Spoor, wordt tijdens het spreekuur het meest gelachen. Terwijl iedereen ook ernstig knikt als Kees Visser van wijkberaad Laak-Centraal vertelt dat hij zich zorgen maakt over de samenhang in de wijk. „Het is lastig communiceren met mensen die een andere taal spreken”, zegt hij. Iedereen weet dat hij Oost-Europeanen bedoelt. „Ze verhuizen veel en alle huisraad wordt naar buiten gekiept – je ziet de verloedering”, zegt Visser. Tom Nathans van bewonersstichting Laakhaven zegt: „Ze spreken geen woord Nederlands en ze hebben de opvatting dat omdat ze de taal niet spreken ze de regels niet hoeven te kennen.” Hij vertelt dat de prullenbakken in een van de parken vol blikjes liggen, terwijl er een alcoholverbod geldt.

Bekende gezichten

Handhaving in dit stadsdeel is minimaal, vinden de bewoners. Kees Visser: „De wijkagent is al overbelast.” Rachid Guernaoui: „In het collegeakkoord staat dat er 25 extra handhavers komen.”

Tom Nathans: „Ja, maar die worden verspreid over heel Den Haag.”

Er ontspint zich een levendige discussie over taallessen. In Laak blijken er wel veertig aanbieders te zijn. Jongerenwerker Murat Dogan zegt: „Soms zien we gewoon dat het taalniveau te laag is.” Ook bij niet-nieuwkomers, vindt hij. „Als je de Nederlandse taal niet spreekt, is het moeilijk om mee te doen aan de samenleving”, zegt Guernaoui.

De stadsdeeldirecteuren worden niet overvallen door de vragen tijdens de speekuren. De bekende gezichten komen opdagen, vertellen ze. De voorzitters van wijkberaden, welzijnswerkers, de al actieve burgers. „Het zou vreemd zijn als ik verrast zou worden. Maar voor een nieuwe wethouder is het nuttig om bekend te raken met bepaalde problematiek”, zegt Mendy van Veen van stadsdeel Scheveningen.

Bij elk spreekuur zit ook één onbekende. Vaak met een vraag die snel is op te lossen. Voor meneer De Roo uit Loosduinen die vertelde dat zijn visite zich „het apelazerus” zocht naar zijn voordeur omdat de straatnummering onduidelijk was, is onmiddellijk een bordje besteld. Ook, zegt de gemeente desgevraagd, „omdat het voor hulpdiensten belangrijk is dat woningen vindbaar zijn”.

En meneer Bus, wiens uitzicht in Scheveningen werd belemmerd door bomen, zit nog voordat de wethouder het stadsdeelkantoor heeft verlaten, al in de kamer van de groenbeheerder.

‘Weten waar je aan toe bent’

Niet iedereen krijgt zo snel antwoord. Wim en Jacqueline Houwaard vertellen dat de verkeersoverlast in Loosduinen steeds groter wordt. „En nu worden er in [buurgemeente] Monster drie nieuwbouwwijken gepland.”

Guernaoui: „Dat is een heldere vraag: u wilt weten, wordt die drukte structureel?”

Alleen zo helder blijkt het niet te liggen. Den Haag is „maar voor een deel verantwoordelijk hiervoor”, zegt de gemeente later aan NRC. Het is in de eerste plaats een provinciale aangelegenheid. „Maar het stadsdeel gaat er wel voor zorgen dat de bewoners een stem krijgen in de plannenmakerij.”

Duidelijkheid krijgen, is vaker een wens. In Haagse Hout maakt Onno Praalder zich zorgen over de klinkers die er in de Theresiastraat komen. Hij is „hartstikke enthousiast” over de herinrichting en de buurt koos zelf voor de klinkers, maar ja de bus gaat er straks óók over. „De panden staan hier al te trillen. Op de informatieavond kon niemand ons vertellen hoe het straks gaat.”

Op Haagse Markt leest Wim van Leeuwen een briefje voor van een van de kraamhouders. „Mails aan de afdeling markten bij de gemeente worden niet beantwoord, of pas na drie maanden.”

En Hans Grijnen van Wijkoverleg Scheveningen-Dorp uit zijn verbazing dat hij twee jaar lang mocht meedenken over de vervanging van tram 1 maar „dan komt er een rapport en hoor je niets meer van de gemeente”.

Guernaoui’s antwoord luidt dan: „U moet weten waar u aan toe bent.” Maar tegen iedereen zegt hij ook: „U krijgt in elk geval antwoord, dat beloof ik. Of het een antwoord is van ‘yes’ kan ik niet garanderen.”

    • Titia Ketelaar