Recensie

Stevige vragen voor machteloze familieleden in ‘Whitney’

Documentaire Regisseur Kevin Macdonald twijfelde of een documentaire over Whitney Houston een interessant verhaal op zou leveren. Zijn stevige vragen resulteerden in een ijzersterke film.

Whitney Houston: zangeres met een van de krachtigste stemmen uit de popgeschiedenis.

There’s a bóóóy I know – he’s the one I dream of”, riep ze, en huppelde in een zilverkleurig jurkje met lange handschoenen en een enorme strik in het haar door de eerste MTV-clip die ik me van haar herinner. Dertien jaar was ik in november 1985, en juist die vraag – ‘How Will I Know’, hoe kom ik erachter of hij mij óók leuk vindt? – was het voornaamste waar ik me op school en op mijn kamertje mee bezighield. Whitney Houston was het soort popster dat je iedere onzekere tiener gunt: een shot positieve energie, een lichtpunt, een knipoog.

Wat wist ik van marketing? Niets. Viel het me op dat ze in het filmpje aan een donkere jongen gekoppeld werd, terwijl de meisjes die met haar meedansten blank waren? Nee. Wist ik überhaupt dat Whitney een Afrikaans-Amerikaanse achtergrond had? Jazeker. Uit Muziek Expres en Popfoto leerde ik dat ze uit een muzikale familie kwam, in de kerk had leren zingen en streng en gelovig was opgevoed. Haar oudere nicht Dionne Warwick kende ik van ‘Walk on By’, een veelgedraaide gouwe ouwe. Maar wat maakte het me uit dat haar nichtje hits scoorde met popsongs zonder soulvol stempel?

Voor haar critici lag dat anders, weet ik nu: vanaf haar titelloze debuutalbum klonk er kritiek dat Houstons sound haar achtergrond verloochende, wat culmineerde in pijnlijk boegeroep tijdens de Soul Train Awards in 1989. Tel daar het tragische verloop van Houstons leven bij op en de herinnering aan die vrolijke eerste kennismaking raakt jammerlijk vertroebeld. Zes jaar nadat de zangeres met een van de krachtigste stemmen uit de popgeschiedenis op 48-jarige leeftijd verdronk in het bad van een hotelkamer in Beverly Hills, is het zelfs moeilijk om aan haar te denken zonder de schaduw van drugs, controverse, mislukte comebacks en chaos van haar latere jaren. Wat een publieke afranseling kreeg ze toen, met name in de VS, waar behalve het gebruikelijke gegniffel over een vallende ster ook echte woede doorklonk. „Jouw stem was een nationale schat”, zei Oprah Winfrey in 2009 tegen haar, in een interview dat bedoeld was als rehabilitatie. „Wow”, zegt Houston hees. Ze had hem verkwanseld, maar waarom?

Twee recente documentaires proberen een antwoord te geven. Whitney: Can I Be Me van de Britse regisseur Nick Broomfield Me (2017) bevatte een duidelijk frame: de kritiek vanuit de zwarte gemeenschap dat Whitney een ‘whitey’ was zou haar diep getroffen hebben, en ze werd op liefdesgebied verscheurd tussen haar geheime relatie met jeugdvriendin Robyn Crawford en een hysterisch huwelijk met r&b-zanger Bobby Brown. Can I Be Me maakte Whitney het slachtoffer van boze krachten om haar heen, vergelijkbaar met de manier waarop Amy Winehouse werd verzwolgen in Amy (2015).

Whitney, de officiële, door de erven Houston geautoriseerde documentaire die deze week in de bioscoop uitkomt, is een minder simplistische en verrassend genoeg veel duisterder film. Dertig intimi, familieleden en naaste collega’s komen aan het woord, en hun diepe spijt over hoe het zo kon lopen is het enige wat ze gemeen hebben. Ze stonden erbij – haar filmagent, haar schoonzus, haar kapster, allemaal mensen met gezond verstand – maar misten het gezag om ‘Nippy’, het koosnaampje uit Houstons jeugd, tot de orde te roepen. Haar broers Michael en Gary waren haar dealers én haar beschermers. Moeder Cissy was een slavendrijver met oogkleppen op, maar ook degene bij wie ze troost vond. „Ik blijf mezelf hè mammie”, zegt een uitgetelde Whitney na een optreden, en kruipt dicht tegen haar aan.

Schokkerige junkie-motoriek

De Schotse regisseur Kevin Macdonald stapte met open vizier in het project; hij was geen fan en betwijfelde of er wel ‘een verhaal’ in Whitney school. Haar pop-culturele betekenis mag dan door anderen breed zijn uitgemeten (haar interpretatie van het Amerikaanse volkslied tijdens de Super Bowl van 1991 bijvoorbeeld, staat dankzij Houstons frasering en de glorieuze nadruk op het woord ‘free’ geboekstaafd als baanbrekend moment voor de zwarte gemeenschap), zelf hield ze zich in interviews op de vlakte. ‘Een liedje is een liedje. Wat willen ze van me?’ ‘Ik ben niet gay.’ ‘Ik doe geen crack.’ Als performer is Houston perfectionistisch en hyper-geconcentreerd; achter de schermen zie je haar van een stralende tiener veranderen in een verwarde vrouw met schokkerige junkie-motoriek, die haar zelfdestructie als daad van verzet lijkt te beschouwen. Dochter Bobbi Kristina (1993-2015), die begin 2015 bewusteloos in bad werd gevonden en na een coma van bijna zes maanden overleed, ‘maakte geen enkele kans’, zegt een familievriendin snikkend.

Door niet te willen verklaren maar niettemin stevig door te vragen, maakte Macdonald een ijzersterke, somber stemmende film. Hij dregt een familiegeheim op – Houston zou zijn misbruikt door DeeDee Warwick, de zus van Dionne – maar weerstaat de verleiding om deze inmiddels overleden verdachte als bron van alle kwaad aan te wijzen. Bobby Brown, opgeblazen en moe, komt er ook relatief makkelijk vanaf. Wat resteert is Houstons eigen angst voor een Duivel, het Kwaad dat haar najaagde in haar dromen. Tot het haar te pakken kreeg.

    • Sandra Heerma van Voss