Opinie

    • Marjoleine de Vos

Waarom zijn wij soortelingen geworden?

Hoe zou u uzelf beschrijven, werd er gevraagd aan de beide geïnterviewden in het Zomeravondgesprek in NRC van afgelopen zaterdag. Dat ze psychoanalytica is en hoogleraar, zegt de een. Moeder en politica zegt de ander. Ja zoiets zou ik denk ik ook antwoorden. Maar of ik dan het gevoel zou hebben mezelf veel recht te doen? Vanbinnen voel je je niet je beroep, eigenlijk voel ik me vanbinnen helemaal niets benoembaars, pas als iemand ernaar vraagt ben ik van alles.

Wonderlijk eigenlijk dat identiteit nu zo allesbepalend lijkt te zijn, seksuele, etnische, sociale. Onlangs pakte ik zomaar weer eens Een tevreden lach van Andreas Burnier uit de kast. Zodra ik begon te lezen, wist ik het meteen weer: dit is een geniaal boek. En omdat ik toen toch in de stemming was ook meteen De litteraire salon gelezen waarin ik dezelfde toon en hetzelfde type denkbeelden aantrof, maar meer Reviaanse ironie, wat jammer was. Enfin, los van de opvallende kwaliteiten van die boeken stelt Burnier er meer dan eens de vraag in waarom het toch zo belangrijk is dat we onszelf definiëren. „Waar is het allemaal gebleven, de tijd dat wij onszelf als Ik konden ervaren, de mensen en de goden waardig? Waarom zijn wij soortelingen geworden, man of vrouw, van deze of gene klasse, van dit of dat beroep, westers, twintigste-eeuws, Euro-amerikaans soortdier? Eens hebben wij onszelf als mens gezien: hemelhoog en verankerd in de aarde.” Haar hoofdpersoon denkt dat op een klein Grieks eiland en daar komt de gedachte, aan een vrijere voortijd, als vanzelf bij haar op.

Lopend op een pad door weilanden zag ik een groepje schapen waarvan er eentje op een andere klom. Zinloos natuurlijk, maar ook weer niet, als het door een van beide schapen als prettig werd ervaren. Ik dacht niet: hé, een lesbisch schaap. Zoals de Griekse man in de oudheid die graag met jonge vrienden erotische banden onderhield zichzelf niet als een homoseksueel hoefde te benoemen en ook best getrouwd kon zijn en kinderen kon hebben en om zijn vrouw kon geven. Gewoon een man, die Griek, gewoon een mens.

Als je in de vakantie met mensen in gesprek raakt, zit je soms lang te praten zonder dat iedereen heeft gezegd wat ze ‘zijn’. Het doet er dan niet zo toe, het gaat om het gesprek, niet om hun salaris of hun seksuele voorkeur. De twee vrouwen in het interview hebben au fond datzelfde gevoel. ,,Je leest dingen over elkaar, je maakt je een voorstelling van elkaar, maar met wie zit ik vanavond aan tafel?” Die vraagt blijft, ook al weet je dat de ander hoogleraar psychologie is. Niet dat het er niet toe doet of iemand zwart is, of homo, maar het is nog lang niet waardoor je weet met wie je te maken hebt. Toch rekenen we mensen graag op grond van zo’n willekeurig kenmerk tot een ‘gemeenschap’. Welke gemeenschap?

Ik doe het zelf ook. Sinds ik in Groningen woon zeg ik vaak: ik ben een Amsterdammer. Dat was ik vroeger helemaal niet, omdat ik daar gewoon woonde. De behoeft om iets stevigs over jezelf te zeggen heeft te maken met hoe je denkt dat de wereld je ziet en met de spanning, soms, tussen binnen en buiten. In Burniers geval was die nogal groot. Maar wat moet je dan over jezelf zeggen, als je niet met je beroep, huidskleur, sekse, seksuele voorkeur, salaris of opleiding voor de dag wil komen? Misschien gewoon zoiets als: interessante kwestie hè, die Burnier aansnijdt. Hoe denk jij daar over?

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.
    • Marjoleine de Vos