Deze types kom je tegen op de camping

Vaste gasten

Iedere camping is anders, toch ziet Merel Thie er vaak dezelfde types.

Illustratie Wendy Panders
  • De praatjesmaker

    Op de camping cirkelt hij rond het toiletblok en de afwas-unit. De praatjesmaker. Een man met korte broek en forse buik. Hoezeer je ook je best doet om niet met hem in gesprek te raken, hij vindt een aanknopingspunt. Dat kan de kleur of vorm van je afwasteiltje zijn. „Dat is handig hè, een vierkant teiltje. Past precies in de wasbak.” Waar hij op uit is, is jou verblijden met tips over wat je allemaal kunt, nee moet doen in de omgeving van de camping. Kanoën, boomklimmen, paragliden. Hij heeft dat zelf altijd net gedaan en het was ge-wel-dig.

  • De happy camper

    Zij en haar gezin hebben hun retro caravan knalgeel geschilderd. Over de tafel een leuk plastic zeiltje van Kitsch Kitchen. De scheerlijnen van de luifel zijn met vlaggetjes versierd. En, ontzettend handig, de tentharingen waarover je ’s nachts je nek kunt breken, heeft zij gemarkeerd met kleine lampjes op zonne-energie. In het donker gaan ze vanzelf aan. Zó gezellig. Je weet niet wat het is, maar je krijgt zin om te roken.

  • De niet-kampeerder

    Alle mensen die zeggen dat kamperen ‘niets voor hen’ is, weten dat omdat ze ooit gekampeerd hebben. Daar kwamen ze erachter dat ze hechten aan een goed bed en warmte, of juist koelte. Dat ze te veel gêne hebben om te poepen op een wc waarvan de deuren aan de boven- en onderkant open zijn. Dat ze anderen ook niet willen horen poepen terwijl zij hun tanden staan te poetsen op een meter afstand. Dat kamperen alleen leuk is als het niet dagenlang regent. De niet-kampeerder zit vaak uren in de voortent, gedesillusioneerd voor zich uit te staren.

  • De langkampeerders

    Alles staat strak bij de langkampeerders. Ze staan het hele kampeerseizoen op een camping, niet ver van hun huis. Voor hun caravan ligt een stuk kunstgras, begrensd door windschermen. Naast die windschermen staan hun identieke fietsen. En voor het kunstgras een ligbed voor de hond. Het echtpaar zit bij voorkeur in hun witte plastic stoelen met gestreepte kussens, bijvoorbeeld om de aardappels te schillen. Weinig rock en roll. Nou en?

  • De geoliede machine

    Twintig minuten nadat ze zijn aan komen rijden staat hun hele buitenimperium te shinen. Het energieke stel heeft de beste lichtgewicht spullen, tentstokken die automatisch in de vorm van de tent springen en luchtbedden die zichzelf opblazen tot het niveau: niet te hard en niet te zacht. Uit een pakketje van 5 bij 5 centimeter tovert hij intussen een hele buitenkeuken, inclusief opvouwbare koffiefilters. Zij begint op het buitenfornuis meteen de heerlijkste dingen te bereiden. Hun kinderen vermaken vanzelfsprekend zichzelf. Maar pas nadat ze hun eigen iglotentje hebben opgezet.

  • De amateurs

    Warm en bestoft komen de twee studenten de camping op. Ze hebben een flink stuk gelopen vanaf de bushalte met hun zware tent. Als ze de vrije plek zien met het mooie uitzicht krijgen ze nieuwe energie. Waarom staat daar nog niemand?! Het uitzicht is er prachtig! Met veel gehannes krijgen ze hun tent opgezet. Moe maar voldaan trekken ze hun eerste blikje bier open voor de tent. Die nacht, als het begint te hozen en de regen van de hele camping hun kant op stroomt, snappen ze waarom er niemand op dit fantastische – laaggelegen – plekje stond.

  • De verkneukelaars

    Ze zagen het al dagen aankomen vanuit de voortent van hun caravan. Tegen elkaar zeiden ze: „Raar he, dat die jongens juist op die lage plek gaan staan, met déze weersvoorpelling.” Zorgelijk tegen elkaar : „Ze graven ook geen geulen om de tent hè.” ’s Nachts als de regen is begonnen kijkt de man even uit het raam van de caravan naar de jongens die staan te vloeken in de regen. „Het is helemaal mis daar”, zegt hij tegen zijn vrouw voordat hij zich weer omdraait en verder slaapt. De dag na de bui gaan ze even op de jongens af. „We vroegen ons al de hele tijd af waarom jullie nou juist hier gingen staan.”

  • De kampeerders tot ze erbij neervallen.

    Ze zijn zeventigplus en hebben een klein tentje waarin je net niet lekker rechtop kunt staan. Wat stram maar levendig zie je het echtpaar daar elke dag uit naar buiten kruipen. Zij heeft twee nieuwe heupen, vertelde ze gisteren, toen je vroeg of ze niet eens naar een hotel willen. Maar daar moeten ze niet aan denken. Er gaat niets boven kamperen. Elke minuut die ze niet buiten in de natuur doorbrengen, beschouwen ze als verspild. Ze beschikken over goede spullen (warme slaapzakken, fijne matrasjes) maar er is geen overbodige luxe bij. In drie weken vakantie gaan ze één keer uit eten. Verder koken ze elke avond op hun campinggasje, eenvoudige maaltijden. Daarna lezen ze een boek, met zo’n handig mijnwerkerslampje op hun voorhoofd. ’s Ochtends smeren ze boterhammen voor tijdens hun wandeling. Precies genoeg. Hun uitspatting: een tweede glas rode wijn voor de tent.

    • Merel Thie