De ‘wespenman’ is overal welkom

Droogte

Een van de winnaars van de hete zomer is de wesp. De larven groeiden goed, nesten bleven door het uitblijven van hoosbuien intact. Overal in het land signaleren bestrijders een bovengemiddeld aantal nesten.

De vliegenmepper van Annie Nijmanting uit Musselkanaal heeft de wespenplaag niet overleefd. Foto Sake Elzinga

„Waar ziet u ze vliegen meneer?” Met grote stappen beent Pieter van der Meijden door het gangetje achter de tuinen in de Emmastraat in Groningse Stadskanaal. Zijn benen steken in zwarte instapklompen, een klein trapje onder zijn arm. Net onder het dak van het schuurtje schommelt een vijftal wespen traag op en neer. Van der Meijden klimt een paar treden en tuurt zwijgend tussen de kieren. „Hier gaan ze ergens schuin omhoog”, mompelt hij.

Je zou het een van de grote winnaars van deze droge en hete zomer kunnen noemen: de wesp. De larven konden door de warmte goed groeien, de nesten bleven door het (voorlopig) uitblijven van zomerse hoosbuien vrijwel intact. Overal in het land signaleren bestrijders een bovengemiddeld aantal nesten. Ze hebben het druk, kunnen het aantal telefoontjes haast niet aan.

Op een dag rijdt Pieter van der Meijden (49) weleens vanuit zijn woonplaats, het Drentse Erica, ’s ochtends vroeg tot aan het Groningse Oude Pekela en zakt hij met tal van tussenstops langzaam weer af. Het komt dezer dagen voor dat zijn gele bus op een dag meer dan 200 kilometer aflegt. Twintig wespennesten haalt hij op zo’n dag dan met gemak weg. Soms is hij pas rond een uur of negen ’s avonds klaar.

Lees ook: De bladluizen hebben hulptroepen!

Al bijna twintig jaar runt hij zijn eenmansbedrijfje Vespula in, zoals het in rode letters op zijn knalgele bus geschreven staat, ‘pest control’. Voor ratten, muizen en mieren heeft hij deze zomer nauwelijks tijd. Veel van zijn opdrachten komen via woningstichtingen, die nesten voor huurders laten verwijderen. Hulp krijgt hij sinds kort van compagnon André Harder, die het gebied ten zuiden van Erica doet. En sinds zijn vriendin Ingrid Colson dit voorjaar bij hem introk, neemt zij nu de telefoon aan. Het werd te druk in zijn eentje.

Niet dat Van der Meijden zich laat opjagen. Na nest vier op een warme ochtend draait hij op de stoep een shagje. Rustig legt hij dan het verschil uit tussen Duitsers en Fransen, de één hardwerkende wespen die dag en nacht aan hun nest bouwen, de andere luier, zwermers die zich traag door een tuin verplaatsen.

Enig vermaak lijkt hij wel te scheppen in de wijdverbreide angst voor de beesten. „Duitse nesten zijn soms gigantisch”, vertelt hij dan met pretogen. „Die moet je echt met je handen breken.” Of beter nog: wat hij laatst in zijn vakblad had gelezen. Stijgt de temperatuur de komende eeuw door, dan overleeft de Duitse wesp met gemak de winter en kunnen hun nesten blijven doorgroeien, zó groot wel, tot het formaat van een bestelbus. Grinnikend: „Daar zou ik dan een heel busje gif voor nodig hebben.”

Foto Sake Elzinga

Ook wespen vergissen zich

Annie Nijmanting (59) in Musselkanaal is nog niet gestoken. Maar haar vliegenmepper heeft het niet overleefd, getuige de groene stukjes plastic die tussen het hoopje dode wespen in haar tuin liggen. Van een afstandje bekijkt ze hoe Van der Meijden haar raamkozijn inspecteert. Hij heeft slecht nieuws: „Ik vrees dat het bij uw buurman zit.” Wespen, zo legt hij uit, willen zich nog wel eens vergissen. „Vaak hebben de mensen verderop er meer last van dan diegenen bij wie het nest zit.” Na een blik op haar bezorgde gezicht belooft hij toch wat gif te spuiten. „Maar ik raad u ook aan uw buurman even in te lichten.”

De deur gaat bij bewoners aanvankelijk op een kier. De meeste mensen herkennen Van der Meijden – met zijn warrige bruine krullen en zwarte outfit meer rock-’n-roll dan pest control – niet meteen als bestrijder. Maar heeft hij zich geïntroduceerd, dan gaat de deur meteen van het kettinkje, de opluchting op de gezichten niet zelden zichtbaar. De ‘wespenman’, grijnst Van der Meijden, is altijd welkom.

„Die is gek geworden”, dacht vriend André Harder toen Van der Meijden hem achttien jaar geleden vertelde „weer naar school te gaan”, een opleiding te gaan volgen tot gediplomeerd ongediertebestrijder. „Maar nu snap ik het wel”, lacht Harder, die dezelfde lessen in Wageningen er net op heeft zitten. Hij leerde over allerlei toxiologische groepen, is inmiddels „een halve bioloog”. Het vak is wel veranderd, weet Van der Meijden. Inmiddels ligt er veel nadruk op preventie, zogeheten habitat control. Hij en Harder grinniken even. „Dat je mensen moet vertellen hun zooi op te ruimen.” Voor wespennesten gaat preventie alleen niet op. Die kun je niet voorkomen. Voor een bijennest, dat intact gelaten wordt, bellen de twee een imker die het nest komt verplaatsen.

Pieter van der Meijden in zijn beschermingspak
Foto Sake Elzinga
Foto Sake Elzinga

Goedgekozen vak

Luister je naar Van der Meijden, dan krijgt de wesp haast een identiteit, heus niet altijd vriendelijk of beschaafd, maar net zomin puur kwaadaardig. „Mooi he”, wijst hij naar lichte strepen op een houten schuurtje. „Dat hebben ze afgeknaagd, bouwen ze een nestje van.” Nesten zijn soms prachtig, weet hij, vol golvingen, haast als moderne architectuur. Maar, nuchter: „Als het boven je deur zit, krijg je ze wel in je nek.” Of hij ooit schuldgevoelens heeft? Van der Meijden haalt zijn schouders op. Wespen, zegt hij, sterven nooit uit. Hij grijnst: „Ik heb mijn vak goed gekozen.”

Lees ook over ander onheil in de tuin: Buxusmot-rups vreet struiken kaal. Wat doe je eraan?

Het gezoem is bij een huis in Valthermond van meters afstand hoorbaar. Grote wespen vliegen af en aan een dakgoot in. Het zijn hoornaars, de beruchte soort die mensen de meeste schrik aanjagen. Onlangs stierf een Nederlander in Frankrijk na door een hoornaar te zijn gestoken. De angst is overdreven, vindt Van der Meijden. Nadat de verslaggever even denkt te worden aangevallen door een hoornaar („ach welnee, dat is maar een sluipwespje”), zucht hij. „Alle wespen zijn dodelijk. Voor de verkeerde persoon.” Hoornaars, vindt Van der Meijden, zijn meestal een stuk vriendelijker dan Duitse wespen. Behalve die keer dat een hoornaar hem door zijn kap heen probeerde te steken en het gif zo door het gaas spoot, recht in zijn oog. „Hele dag lopen janken”, grinnikt Van der Meijden.

Hij weet: hoe later in het seizoen, hoe defensiever wespen worden. Ook daarom geven ze de meeste overlast in augustus. „Dan hebben ze hun nestje af en willen ze de koningin beschermen”, legt hij de bewoner uit. Hij haalt zijn schouders op. „Zouden wij ook doen.”

    • Clara van de Wiel