Nrc Recht

De rechter moet zo laag mogelijk straffen, wat nog heel hoog kan uitpakken

Strafrechter Jacco Janssen denkt in de Togacolumn terug aan de eerste moordzaak die hij berechtte. En de betrekkelijk milde straf die dat toen opleverde.

Archiefbeeld van een willekeurig moord op straat in Rotterdam, in 2004. Even voor de schietpartij kreeg de man bij z'n auto ruzie met de schutter. Die loste meerdere schoten en ging er vandoor op een fiets. Foto: Peter Hilz

Met Rotterdamse opgerolde mouwen stond ik vlak voor mijn vakantie in mijn werkkamer op de rechtbank, klaar om op te ruimen. Binnenkort gaat ook onze rechtbank flexwerken, dus alles moest aan kant.

Onder een dikke laag stof lag het daar ineens: mijn eerste strafvonnis. Het was op een haar na 20 jaar oud. Op mijn knieën voor mijn kast mijmerde ik terug naar dag dat ik het schreef. Nou ja ik, ik schreef als de nieuwe rechter in opleiding het concept. Koud van de universiteit, heel gemotiveerd, tikkeltje naïef en onwetend over wat in de 20 jaar daarna allemaal komen zou.

Schietpartij

De zaak staat mij na al die jaren nog helder voor ogen. Het was een schietpartij in het portiek van een galerijflat in de Rotterdamse wijk Hoogvliet, nabij Pernis. De schoten die door de verdachte werden afgevuurd waren raak en het slachtoffer was direct overleden. Voor de bekennende verdachte volgde een gevangenisstraf van zeven jaar. Zittend tussen de rommel bedacht ik mij dat ‘wij’ met de zeven jaar mild hadden gestraft. Dat zou vandaag de dag al snel (vele) jaren meer zijn geweest.

Ik realiseerde mij ook dat de veroordeelde na aftrek van de vervroegde (nu: voorwaardelijke) invrijheidstelling alweer bijna 15 jaar op vrije voeten is. ‘Hoe zou het de jonge Hoogvlieter zijn vergaan? Heeft de straf gewerkt? Hoe zou het met de familie van het slachtoffer zijn? Is er in hun ogen (enig) recht gedaan?’: vroeg ik mij hardop in mijzelf pratend af. Als professional heb ik deze vragen maar gelaten voor wat ze zijn.

Hoezo dan?

Toch liet de zaak en de opgelegde straf mij in mijn vakantie niet los. De reden daarvoor zit, denk ik, in de les die mijn opleider mij in die zaak in de wittebroodsweken van mijn opleiding leerde. Hij zei: ‘Als strafrechter moet je in iedere zaak streven naar het opleggen van de laagst mogelijke straf’. ‘En dat is soms een hele hoge’: voegde hij daar aan toe. Die les is de belangrijkste les uit mijn strafrechtersloopbaan gebleken. Te pas en te onpas haal ik die les daarom aan. Aan de lunch, in raadkamer of in opleidingsgesprekken zeg ik het tegen wie het maar horen wil. Al is dat laatste eigenlijk helemaal geen harde voorwaarde: realiseer ik mij nu. De reactie die ik dan vaak krijg is dezelfde die ik toen had: ‘de laagst…..mogelijke, maar hoezo dan?’ Ik leg dat dan kort uit.

De strafrechter houdt bij het opleggen van straf rekening met de ernst van de feiten, de persoon van de verdachte en alle omstandigheden van geval. Daarbij houdt hij de doelen van het straffen voor ogen. Klassiek zijn dat: vergelding (leedtoevoeging), speciale preventie (deze dader moet het niet nog een keer doen), generale preventie (het schrikeffect van de straf op anderen) en resocialisatie (de veroordeelde  moet op een dag weer terug in de maatschappij). Wanneer je als strafrechter in een zaak, gelet op alle feiten en omstandigheden, recht doet aan al deze doelen leidt dat tot een bepaalde straf. The ‘proof of the pudding’ is dan ‘the eating’. Wordt met minder straf nog steeds recht gedaan aan alle doelen dan is de laagst mogelijk straf nog niet bereikt. Et cetera. Op deze manier komt de meest passende straf tot stand.

Onrust

Vooral in de wat grotere publiciteitsgevoelige zaken komt in die afweging steeds nadrukkelijker een ‘betrekkelijk’ nieuw nevenstrafdoel in beeld. De maatschappij vraagt de strafrechter om met de straf tegemoet te komen aan de onrust die door het delict in de samenleving is ontstaan. Een terecht strafdoel dat goed past in deze tijd. Ik merk alleen wel dat het nog wennen is om dit strafdoel in het streven naar het opleggen van de laagst mogelijke straf te betrekken en af te wegen. Toepassing van de les van mijn opleider zal uiteindelijk weer leiden tot een nieuw evenwicht in de strafoplegging. Ik blijf daarom maar ‘bij de les’, maar nu eerst vakantie.

De Togacolumn wordt geschreven door een officier, een advocaat en een rechter. Jacco Janssen is senior (straf)rechter A in de rechtbank Rotterdam

 

    • Jacco Janssen