Opinie

    • Ellen Deckwitz

Brand

Onlangs was ik in New York en zat ik op een zondagavond alleen in mijn hotelkamer geen porno te kijken toen opeens het brandalarm afging, gevolgd door een paniekerige oproep dat dit absoluut geen oefening was, we vooral kalm moesten blijven en onze kamers tot nader orders níét moesten verlaten.

Nu werkte ik die week aan de oorlogsmemoires van mijn grootouders en als er één les uit hun herinneringen spreekt is het dat je bij onraad meteen de benen moet nemen, zeker wanneer je in een brandend hotel op de TWINTIGSTE VERDIEPING zit, dus direct wandelde ik de gang op, waar al een aardige rooklucht hing. Ik sloeg mijn sjaal om mijn gezicht en liep het trappenhuis in. Op de achttiende verdieping hing een fiks rookgordijn maar op de zeventiende woei er alweer verse lucht.

Eenmaal op straat kroop ik onder het afzetlint door en haalde bij de 7/11 een flesje water want dat is gezond. Terwijl ik voor de kassa wachtte ging mijn mobiel: het was mijn reisgenoot die tussen de brandweermannen stond en dacht dat ik al bezig was met mijn crematie.

Een klein uur later mochten we weer naar binnen. De brand was door kortsluiting ontstaan en de schade viel mee: twee geblakerde kamers, een hoestende piccolo die toch al astma had, geen doden of gewonden. Mijn reisgenoot en ik vierden ons overleven met een dubbele sojamelk.

„Je bleef zo rustig”, zei hij, „normaliter ben je panisch voor alles.”

‘Dat krijg je als je uit een familie met oorlogstrauma komt. Dan denk je dat het ieder moment misgaat. Zodra er écht iets aan de hand is word je rustig, want je hebt dat moment in je geest al honderden keren voorbereid.”

„Maar als je weet dat je in een noodsituatie zo zelfredzaam bent, waarom ben je dan nog steeds zo angstig?”

„Misschien”, zei ik na er even over te hebben nagedacht, „dat zo’n chronisch angstgevoel iets doet met je voorstellingsvermogen. Dan word je een kei in het kunnen bedenken op hoeveel verschillende manieren het mis kan gaan.”

„Dus eigenlijk is je creativiteit jarenlang getraind doordat er maar niets ergs gebeurde.”

Inderdaad. Ik gebruik mijn verbeelding alleen wanneer ik bang ben, dat wil zeggen: de hele dag door. Terwijl ik eigenlijk juist dan veilig ben want wanneer er gevaar dreigt zet ik mijn verbeelding uit en mijn praktische modus aan.

We proostten op dat we er nog waren.

„Dat je verbeelding voor altijd aan moge staan”, zei mijn reisgenoot. Ik stond er maar niet al te lang bij stil dat hij me daardoor constante angst toewenste. Maar ja, zolang er angst is, ben ik veilig. De melk was zoet en koel en bluste mijn voorstellingsvermogen, enkele heerlijke seconden lang.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.
    • Ellen Deckwitz