‘Diversiteit is hier normaal, net zoals dat je binnen niet rookt’

Brandweer De problemen binnen de Amsterdamse brandweer zijn ook de andere korpsen niet ontgaan. Zo is het niet overal, zeggen brandweermannen onder de luifel voor de kazerne in Rotterdam. „Wat nu in Amsterdam speelt, hadden wij twintig jaar geleden.”

Brandweerlieden van het Tunnel Response Team in actie naast de Maastunnel. Foto Jeroen Jumelet/ANP

Machocultuur? Bij de brandweerkazerne aan de Frobenstraat in Rotterdam is het vooral „jongens onder elkaar”, zegt een brandweerman die op deze zonnige zaterdagochtend voor de kazerne zit. Of oké, jongens én vrouwen onder elkaar – in de dienst van vanochtend zit één vrouw. Ze willen best vertellen hoe het eraan toegaat op hun kazerne, maar alleen als ze niet met hun naam in de krant komen. Want eigenlijk moet alles „langs communicatie”, zeggen ze.

Zaterdag verscheen in NRC een groot onderzoek naar de Amsterdamse brandweer, die wordt geplaagd door een cultuur van intimidatie, obstructie en racisme. Die publicatie is ook binnen de andere korpsen niet onopgemerkt gebleven. Een rondgang langs verschillende kazernes levert vooral dichte deuren op. „Als er een journalist aan de deur staat, doorverwijzen naar communicatie, niet zelf mee in de clinch gaan”, klinkt het over de intercom in Scheveningen. In Den Haag zegt chef Ronald dat zijn mannen „in principe” vrijuit mogen praten. „Maar niet nu.”

Lees ook: Nieuwe baas Amsterdamse brandweer wilde machocultuur aanpakken. Hij kreeg oorlog

In Rotterdam doen ze niet zo moeilijk. „Ga effe zitten, joh”, zegt een brandweerman met gemillimeterd haar en een stoppelbaardje. Hij wijst op een stoel onder de luifels van de kazerne, nog net in de schaduw, tussen de blinkende brandweerwagens. Op de grond staan laarzen en liggen overalls klaar. Brandweermannen lopen af en aan, sommigen roken voor de deur een sigaret.

Natuurlijk hebben de Rotterdamse brandweermannen ook gehoord wat bij hun Amsterdamse collega’s speelt, deels uit de media, deels via-via: over het hoog oplopende conflict tussen de commandant in zijn kantoor en de brandweermannen in de kazernes. Van de cultuur van sterke witte mannen die liever geen gekleurde mannen of vrouwen naast zich dulden, of vrouwen überhaupt, of witte mannen met een andere mening. Commandant Leen Schaap, die het korps probeert te hervormen, wordt met de dood bedreigd.

„Wat nu in Amsterdam speelt, hebben wij hier twintig jaar geleden al gehad”, zegt de witte dertiger met het stoppelbaardje. „Het is toch logisch dat je vrouwen en allochtonen op je kazerne hebt? Kijk naar hoe Rotterdam eruitziet. Onze directeur is bovendien een vrouw, dat is een topwijf. En kijk.” Hij wijst op een zwarte collega die komt aanlopen vanuit de kazerne. „Hij is vandaag onze chef. Diversiteit is hier normaal, net zoals dat je binnen niet rookt.” De chef knikt bevestigend.

Wat is dan het verschil met het korps in Amsterdam? „Amsterdammers zijn Amsterdammers”, zeggen ze, en hier is het „niet lullen, maar poetsen”. Volgens de mannen zijn de regels in Rotterdam al jaren geleden aangescherpt en wordt er minder getolereerd.

Huilen en lachen

Toch snappen de Rotterdamse brandweermannen de woede van hun Amsterdamse collega’s over de hervormingen wel. Ook hier wordt al jaren gesproken over het mogelijk afschaffen van de 24-uursdiensten, een van de pijnpunten in Amsterdam. Dat zou de brandweer flexibeler maken, en zou goedkoper zijn. „Als je die wilt afschaffen, kan je een reactie verwachten uit de kazernes”, zegt een collega – veertiger, gladgeschoren, meer haar op zijn hoofd.

Waarom? Het idee van de brandweermannen: als er ergens een brand is, moet je op elkaar kunnen vertrouwen. Die hechtheid krijg je door 24 uur lang de wagens schoon te maken, samen te koken, te ruziën over welke tv-zender ’s avonds aan gaat, te juichen als iemand gaat trouwen, of te huilen als hij van z’n vrouw gaat scheiden. „We praten hier over alles met elkaar”, zegt de oudere brandweerman. „We zijn lekker direct, maar wel met respect voor elkaar.” Die hechtheid, denken de brandweerlieden, heb je niet als je alleen van negen tot vijf op de kazerne zit.

Het gaat ook om geld, zeggen ze. Een 24-uursdienst bestaat uit 8 uur werken aan de kazerne, zoals het onderhoud aan wagens. Acht uur is voor sporten, en koken, en samen tv kijken. En acht uur voor slapen. Van die 24 uur krijgen ze 17 uur uitbetaald. „Terwijl je wél je bed uitspringt als de pieper gaat.” Aan het einde van de maand houd je 2.200 euro netto over, zegt er één. „Te weinig om drie kinderen van te onderhouden.”

Dat veel Amsterdamse collega’s daarom bijklussen snappen ze wel. „Ik doe dat ook”, zegt de jongere brandweerman. „Een beetje als loodgieter, soms wat timmerwerk. Maar wel búiten diensttijd.” Want de tijd dat er in deze kazerne een autobrug hing en iedereen tijdens werktijd als bijverdienste aan auto’s sleutelde, is voorbij. In Amsterdam gebeurt dat bijbeunen nog wel, bleek uit het onderzoek van NRC.

De Rotterdammers snappen de Amsterdammers een beetje, maar het is hier wel anders, zeggen de brandweermannen. En de bedreigingen aan het adres van commandant Schaap? Dat vinden ze te ver gaan. „Weet je,” zegt de oudere brandweerman, „ze hebben in Amsterdam gewoon grote muilen”.

    • Mark Lievisse Adriaanse