‘Niemand weet waar die jongens gebleven zijn’

Korea-veteraan

De lichamen van vijf Nederlandse soldaten keerden nooit terug uit de Koreaoorlog. Sjef Liebregts (88) was erbij toen een van zijn strijdmakkers verdween.

Veteraan Sjef Liebregts voor zijn huis in Eindhoven. Foto Roos Pierson

Soldaat Oomen was weg. Schutter Sjef Liebregts en zijn medesoldaten waren net teruggekeerd in het kamp toen ze zagen dat het mis was. Even daarvoor was Liebregts nog met Oomen op patrouille geweest. Geen routineklus, de heuveltoppen aan de frontlijn van de Koreaoorlog waren verraderlijk. Liebregts had al genoeg gezien om op zijn hoede te zijn. Maar zo’n plotse vermissing: dat was zorgelijk.

Wat hij zag en voelde die nacht, nu zesenzestig jaar geleden, is Sjef Liebregts (88) nooit vergeten, vertelt hij in zijn woonkamer in Eindhoven bij het briesje van een ventilator. Dat het „keidonker” was. Dat niemand het waagde een licht op te steken. „Dan schoten ze je voor je klep.”

Jan Oomen bleef weg. Wat met hem is gebeurd, zouden Liebregts en zijn bataljon nooit achterhalen. De soldaat was opgelost in de nacht.

Oomen was niet de enige. De lichamen van vijf Nederlandse soldaten – drie vermist, twee met zekerheid gestorven – keerden nooit terug uit de Koreaoorlog, anders dan de resten van de 122 overige omgekomen mannen. Afgelopen week riep de Vereniging Oud Korea Strijders (VOKS) premier Rutte op zich in te spannen voor de repatriëring van hun overblijfselen. Eerder deze maand droeg de Noord-Koreaanse overheid nog de resten van 55 gesneuvelden over aan de Verenigde Staten.

Lees ook: Korea-veteranen willen dat Rutte zich inspant voor vermiste militairen

Verenigde Naties

Veteraan Sjef Liebregts. Foto Roos Pierson

De vijf mannen behoorden tot het Nederlandse contingent, enkele duizenden groot, dat onder de vlag van de Verenigde Naties meevocht in de Koreaoorlog. Stuk voor stuk mannen die zich vrijwillig meldden om mee te strijden aan de zijde van het Zuid-Koreaanse leger. Mannen zoals Sjef Liebregts.

Wat dreef hen naar een oorlog zo ver van huis? „We waren zogenaamd idealisten”, grijnst Liebregts. Hij leunt achterover in zijn stoel, zijn witte haren zorgvuldig achterover gekamd. Buiten scharrelen de kippen in een ren, een Koreaanse vlag hangt slap aan de mast in de tuin.

Idealisten waren ze, want idealen deden ertoe in het Nederland na de Tweede Wereldoorlog. In Korea werd een strijd uitgevochten tussen waarden, zo was het verhaal, de Koude Oorlog op zijn heetst. Liebregts: „Van de Verenigde Naties had niemand van ons gehoord. Ik dacht: laat ik ook een beetje bijdragen.”

Bijna altijd speelde er meer. De jonge mannen hadden geen werk of leefden in armoede en wilden iets van de wereld zien. Bij Liebregts was het zijn thuissituatie die hij wilde ontvluchten. Zijn moeder overleed jong, het gezin viel uiteen toen zijn vader hertrouwde met een vrouw uit Friesland. Het was hommeles: een Friezin tussen de Brabanders, „dat boterde niet”.

Bloedig eerste oorlogsjaar

Sjef Liebregts is marechaussee-in-opleiding als hij zich in 1950 aanmeldt voor de oorlog. Voor zijn vertrek wordt hij in een aantal weken klaargestoomd op een kazerne in Roosendaal. Twintig jaar is hij dan, in die tijd minderjarig. Zijn vader heeft hem op het sterfbed schriftelijk toestemming verleend. In de herfst vaart hij uit. Als zijn vader overlijdt, zit Liebregts aan het front.

Van zijn idealisme is al snel weinig meer over. Het eerste oorlogsjaar is in Korea met afstand het bloedigste. Voortdurend verschuiven de gevechtslinies. Liebregts belandt er middenin, al direct na aankomst zit het bataljon in de trein naar het strijdtoneel.

Onderweg is het zo koud dat de jongens het hout uit de treinbankjes trekken om aan boord vuurtjes te stoken. Maaltijden bestaan meestal uit Amerikaanse rantsoenen, overgebleven uit de Tweede Wereldoorlog. Slapen doen de militairen in schuttersputjes en door de oorlog verlaten en verwoeste huizen. En dan moet het vechten nog beginnen.

Een aantal van de Nederlandse strijdkrachten heeft eerder meegevochten in Indonesië. Liebregts daarentegen heeft nooit eerder een frontlijn van dichtbij meegemaakt. Hij gaat op patrouilles, vecht mee, wordt beschoten en in een hinderlaag gedreven. „We werden voor de leeuwen gegooid.”

Helden bestaan niet

Op een van zijn patrouilles worden Liebregts en zijn kompaan onder vuur genomen, de lucht staat in lichterlaaie. Als ze in een greppel vallen, hoort hij iets. Zacht, stokkend gehuil. Een baby, weet Liebregts meteen, maar hij ziet niets. Na goed zoeken ontwaart hij het kindje tussen de katoenen windsels op de rug van zijn doodgeschoten moeder, snijdt het los met zijn dolk en neemt het mee. Het levert hem een onderscheiding voor heldenmoed op. Nergens voor nodig, zegt hij resoluut: „Helden bestaan niet.”

Was hij nét ergens anders gevallen, dan had hij dat kleintje nooit gehoord. Had iemand anders in zijn schoenen gedaan, had die dan niet hetzelfde gedaan? „Een held word je in de omstandigheid van het moment.”

Drie jaar diende Liebregts in Korea. Uitzonderlijk lang, zegt Paul Gommers, die de veteranenvereniging voorzit en afgelopen week het verzoek tot repatriëring bij Rutte indiende. Toch ging Liebregts, anders dan de meerderheid van de Nederlandse afvaardiging, na zijn thuiskomst niet het leger in. „Ik moest weer normaal worden”, zegt hij daarover.

Zoveel verschrikkingen en niemand die erover kon meepraten. Geen wonder dat er soldaten bij zaten die „doorgedraaid” thuiskwamen, zegt Liebregts, met stressstoornissen en oorlogstrauma’s. Je had veteranen die aan de drank raakten, een enkeling beroofde zichzelf van het leven.

Liebregts dreef een frituurhandeltje dat hij gestaag uitbreidde totdat hij in de jaren tachtig aan het hoofd van de horeca in het PSV-stadion kwam te staan. Aan Korea raakte hij „verknocht”. Bij elk bezoek, op vakantie of op veteranenreis, werd hij van alle kanten bedankt.

Wat hem steekt is dat het lang heeft geduurd voordat er ook in Nederland erkenning kwam. Korea werd een vergeten oorlog. Een warm onthaal kwam er niet, herinnert Liebregts zich. De reacties waren bijtend, vol onbegrip. „Daar heb je die gek van Korea.”

Postuum onderscheiden

Pas sinds een jaar of tien ziet hij het kantelen. Hij maakte mee hoe overleden strijdmakkers postume onderscheidingen kregen, hoe exposities en herdenkingen werden georganiseerd. Vijf jaar geleden kreeg hij zelfs een brief, een bedankje voor zijn bijdrage aan „het keren van het tij van het communisme”. De brief hangt ingelijst aan de muur in zijn woonkamer. De krul onderaan is de handtekening van de Amerikaanse minister van Defensie.

Premier Rutte heeft de veteranen laten weten „heel veel begrip” te hebben voor hun wens de vijf militairen terug te halen. Dat doet Liebregts goed.

Maar of ze gevonden worden? Het lijkt hem sterk. „Niemand weet waar die jongens gebleven zijn. Of ze begraven zijn. Ik hoop dat ze iets realiseren, maar ik geloof er helemaal niks van.”

    • Rik Rutten