Nieuwe baas Amsterdamse brandweer wilde machocultuur aanpakken. Hij kreeg oorlog

Cultuurstrijd

De Amsterdamse brandweer is ‘een verwaarloosde organisatie’. Commandant Leen Schaap probeert met harde hand de orde te herstellen. Doodsbedreigingen en rechtszaken zijn aan de orde van de dag.

Commandant Leen Schaap van Brandweer Amsterdam Amstelland wil rechttrekken wat decennialang scheef is gegroeid. Foto KOEN VAN WEEL/ANP

Je ziet het niet dagelijks: twee brandweermannen in vol ornaat aan de balie van een juwelier – zonder dat er brand is.

Ze hebben net boodschappen gedaan, voor de lunch en het avondeten op de kazerne. Ze zijn bij de visboer geweest en bij bakkerskraam ’t Stoepje in winkelcentrum Het Stadshart in Amstelveen. Zo doen ze dat iedere twee weken, na hun vaste duikoefening in het nabijgelegen zwembad De Meerkamp. De mannen zijn niet te missen: ze gaan gekleed in de rode outfit van de Brandweer Amsterdam-Amstelland, de brandspuit en de duikwagen staan om de hoek geparkeerd.

Op die ochtend van 20 oktober 2017 is er bij de oefening iets opmerkelijks gebeurd: een van de duikers heeft een platina ring gevonden op de bodem van het zwembad. De bevelvoerder, die aanwezig is als leidinggevende, heeft hem in ontvangst genomen maar niet afgegeven bij de gevonden voorwerpen. In de autospuit op weg naar het winkelcentrum heeft hij de ring laten zien aan zijn collega’s. „Die ga ik verpatsen”, zegt hij.

Verschillende collega’s protesteren, maar daar trekt de leidinggevende zich niets van aan. Hij gaat op weg naar de juwelier. Een van de duikers loopt met hem mee. Hoeveel zou die ring waard zijn? Als de juwelier een bedrag noemt, zegt de bevelvoerder: „Kun je niet wat meer geven? De opbrengst is voor de brandwondenstichting.” De juwelier gaat akkoord. De ring wordt verkocht, handje contantje, voor dik 100 euro.

Over wat er daarna gebeurt, verschillen de getuigen van mening. Volgens de een zwaait de bevelvoerder, eenmaal terug in de autospuit, triomfantelijk met de bankbiljetten en zegt: „Ik heb meer geld gekregen toen ik zei dat het voor de brandwondenstichting was.” Een ander herinnert zich dat de bevelvoerder voorstelt om het bedrag onderling te verdelen. Weer een ander hoort hem zeggen: „Zo, daar kunnen we mooi het eten van betalen.”

Wat vaststaat: de ring keert niet terug naar de rechtmatige eigenaar en de opbrengst belandt nooit bij de brandwondenstichting. Het geld komt uiteindelijk terecht in de kantinekas van de ploeg, die ze gebruiken voor boodschappen of een personeelsuitje. Iedereen zwijgt erover. Tot een half jaar later, wanneer een betrokkene last krijgt van zijn geweten en een anonieme melding doet.

De bevelvoerder is inmiddels ontslagen, ook al heeft hij ruimhartig zijn excuses aangeboden. „Uw gedrag is volstrekt verwerpelijk en mijn vertrouwen in u is onherstelbaar beschadigd”, schrijft de korpsleiding hem op 9 mei van dit jaar. Zijn kompaan is weer aan het werk, met een proeftijd van twee jaar – die hij op dit moment aanvecht bij de rechter.

Brandweerkazerne aan de Marnixstraat in Amsterdam
Foto KOEN VAN WEEL/ANP
Foto iStockphoto

Is het verhaal van de ring een incident? Of is het een symptoom van een „enorm gesloten” en „gevaarlijke cultuur” die hoognodig moet worden opengebroken? Dat is de kern van een conflict dat woedt bij de Amsterdamse brandweer. Commandant Leen Schaap en een aanzienlijk deel van de vijfhonderd manschappen op de kazernes, de zogeheten uitrukdienst, verkeren op voet van oorlog. Doodsbedreigingen, intimidatie, obstructie en rechtszaken zijn aan de orde van de dag.

Brandpunt van het conflict zijn de 24-uurdiensten die de Amsterdamse brandweer traditiegetrouw draait. Op de uitrukdienst werken ze twee keer per week 24 uur achtereen. De overige vijf dagen zijn ze vrij. Volgens Schaap leidt dit tot een gesloten groepscultuur waarin excessen worden getolereerd en toegedekt. Hij vindt dat in de uitrukdienst een sfeer van wetteloosheid heerst.

Op de kazernes zien ze de 24-uursdienst juist als de kern van het brandweervak. Tijdens de vele uren samen wordt het ambacht overgedragen van meester op gezel. Informeel praten tijdens het eten of koken kweekt groepsgevoel en onderling vertrouwen – en dat is cruciaal in dit gevaarlijke beroep.

Bovendien vormen de 24-uursdiensten de basis voor een aantrekkelijk verdienmodel. Vanwege de vele compensatiedagen kunnen de brandweerlieden er een tweede of derde baan op nahouden: als stukadoor, loodgieter of taxichauffeur. Om de kazernecultuur te breken, wil Schaap die diensten afschaffen – iets wat de Amsterdamse politiek al jaren wil.

Over de strijd tussen de uitrukdienst en Schaap, voormalig politiecommandant, sijpelden al eerder details naar buiten. Uit onderzoek van NRC blijkt dat de problemen veel groter en talrijker zijn dan tot nu bekend. Uit gesprekken met ruim twintig betrokkenen en bestudering van tal van vertrouwelijke documenten blijkt dat sprake is van een „verwaarloosde organisatie” waarbinnen behalve intimidatie sprake is van diefstal, racisme, seksisme en pesten.

Het gaat nog verder. De brandweer kent een hoog ziekteverzuim, kampt met incomplete personeelsdossiers en heeft geen overzicht van de nevenfuncties die brandweerlieden er op na houden. En er zijn voorbeelden van drugsgebruik en dronkenschap op de werkvloer. „Het onwaarschijnlijke is waar bij de Amsterdamse brandweer”, zegt Schaap tijdens een interne presentatie in januari van dit jaar.

Falende commandanten

Opeenvolgende commandanten hebben geprobeerd een einde te maken aan die kazernecultuur – en faalden. Ze stuitten telkens op zulk hevig verzet dat echte veranderingen in het korps uitbleven. Ze vertrokken gedesillusioneerd of kozen de kant van de manschappen. „Er is sprake van conflictvermijding, pappen en nathouden”, staat in een vertrouwelijk rapport van een extern bureau uit 2017. „Er wordt water bij de wijn gedaan om de vrede te bewaren.”

Leen Schaap wil het radicaal anders doen. Hij hanteert een bikkelharde lijn, zonder veel oog voor de decennialang gedoogde mores en opgebouwde rechten van zijn korps.

Schaap gaat te werk als een echte politieman: documenteren, confronteren, sanctioneren. Kan het niet goedschiks, dan moet het kwaadschiks. Hij deinst er niet voor terug om een particulier recherchebureau in te schakelen om zijn eigen manschappen te schaduwen en te ondervragen. „Moeten we naar de rechter, dan gaan we naar de rechter”, zo luidt zijn adagium binnenskamers. Als je geen grenzen stelt dan vreten ze je op, is de overtuiging van Schaap: zware straffen zijn de enige taal die de mannen verstaan.

Een belangrijk onderdeel van zijn strategie is het onverbloemd benoemen van misstanden in interviews. Een greep: voor veel brandweerlieden is „het behoud van arbeidsvoorwaarden belangrijker dan het blussen van een brand”. De „maffia van de medezeggenschap” saboteert en ondermijnt alle hervormingen van de korpsleiding. De 24-uursdiensten? Die zijn „volstrekt failliet”, dus „even stoppen met huilie-huilie over dat rooster”.

Met zijn uitingen in de media heeft Schaap woede en agressie opgewekt onder zijn manschappen. Loyaliteit is het hoogste goed voor brandweermannen, ze zijn gewend problemen intern op te lossen. De vuile was, voor zover die al bestaat, hang je niet buiten. Een doodzonde in de ogen van de manschappen, die behalve op de kazerne ook online de strijd aangaan. Op Facebook schrijft een brandwacht: „Wij zijn geen schapen gap, wij zijn wolven.” Daaronder staat een afbeelding van een wolf met de tekst: „Wolves don’t lose sleep over the opinion of sheep.”

Op internet en in kazernes circuleren meer afbeeldingen van Schaap, waaronder een met een Hitlersnor. Eerder dit jaar deed hij tot twee maal toe aangifte wegens serieuze doodsbedreigingen. Ze blijken afkomstig uit het korps. Voordat hij in zijn auto stapt, checkt hij standaard of de remkabels niet zijn doorgesneden.

‘Wij wonen hier’

Wat doet dat bootje ineens op de parkeerplaats? Op een novemberdag in 2016 wil de clustermanager van kazerne Nico, aan de ingang van de IJtunnel, weten wat er aan de hand is. Het stallen van privéspullen bij de kazerne is een oude gewoonte bij de Amsterdamse brandweer. Als brandweerman mocht je altijd van alles binnen en buiten de kazerne neerzetten: winterbanden, kozijnen, boomstammen. Maar onder de huidige korpsleiding is dat verleden tijd.

Het stallen van spullen is een uitvloeisel van de hechte groepscultuur bij de Amsterdamse brandweer. Vraag een brandweerman naar zijn beroep, en hij zal er meteen over beginnen: de verbondenheid, de beroepseer, het vakmanschap. De Amsterdamse kazernes met hun eigen tradities en ouderwetse namen: Teunis, Hendrik, Pieter, IJsbrand. Dat maakt werken bij de brandweer zo leuk. Je gaat samen op vakantie. Familieleden zitten vaak ook bij de brandweer. En als je eenmaal gepensioneerd bent, kun je bij een bezoek aan de stad altijd gratis je auto parkeren bij een kazerne. „Wij wonen hier,” zeggen brandweerlieden over hun kazerne.

Er is ook een keerzijde. Door de hechte cultuur is de brandweer een extreem gesloten, homogene beroepsgroep: mannelijk, wit, laagopgeleid. Wie niet meedoet aan de heersende machocultuur wordt gepest of subtiel buitengesloten. Je wordt genegeerd, mag niet mee-eten, voor het boodschappen doen wordt niet aan je gevraagd of je ook iets nodig hebt.

Er werken nauwelijks vrouwen en amper brandweerlieden met een migratieachtergrond. En brandweerman ben je voor het leven, dus door- en uitstroom is er amper. „Het korps zit vast”, constateert het Amsterdamse stadbestuur al in 2011. Eén medewerker duikt aan iedere overlegtafel op: als lid van de ondernemingsraad, voorman van een vakbond en woordvoerder van een actiecomité. „Petje op, petje af,” noemt een woedende burgemeester Eberhard van der Laan het.

De mannen van de uitrukdienst hebben in de loop der jaren een heleboel privileges opgebouwd waar de korpsleiding nu vanaf wil. Op meerdere kazernes staan zagerijen om te klussen, bijvoorbeeld voor een handeltje in kozijnen. Er zijn kazernes met een hefbrug, waaronder je kunt sleutelen aan auto’s. En er zijn reusachtige breedbeeldtelevisies en keukens waar een sterrenkok zijn vingers bij af zou likken. Ook zijn er zonnebanken – lampen en stroom op kosten van de brandweer.

De kazernecultuur is er een van: wij bepalen zelf wat goed is. En: gezag is allesbehalve vanzelfsprekend. Schaap moedigt zijn leidinggevenden aan om de gesloten groepscultuur aan de kaak te stellen. Veelzeggend is de brief die de korpsleiding na de ring-affaire naar de voltallige duikploeg in Amstelveen stuurt. „Waarom heeft er niemand van jullie eerder aan de bel getrokken?” staat er in de brief. „Is dit de cultuur van elkaar beschermen? Beschermen jullie elkaar ten koste van alles? […] Hiermee maak je zelf [sic] medeplichtig aan iets dat verkeerd is.”

Ook tegen de brandweerman met zijn bootje worden stappen ondernomen. Als hij het na een paar weken nog steeds niet heeft weggehaald en daarbij twee dienstopdrachten in de wind slaat, plaatst de korpsleiding hem over naar een andere kazerne. Wat niet helpt, is dat hij een geschiedenis heeft van berispingen en aanvaringen met leidinggevenden – inclusief een eerder conflict over de opslag van een boot. „U heeft regels overtreden en u heeft zich naar mijn mening welbewust provocerend, onbehoorlijk en gezagsondermijnend gedragen”, schrijft de korpsleiding hem.

Amsterdamse brandweerlieden staan bekend als competente vaklui die voor de duvel niet bang zijn. Maar de afkeer van gezag leidt soms tot onnodige materiële schade en gevaarlijke situaties voor de brandweerlieden. Als in de zomer van 2017 een grote brand uitbreekt in het Fons Vitae Lyceum in Amsterdam-Zuid, verloopt het blussen dermate chaotisch dat pas na vier uur het sein ‘brand meester’ gegeven kan worden. „Ik heb hier met plaatsvervangende schaamte rondgelopen”, briest Schaap op locatie tegen collega’s. In een evaluatie van de brand schrijven onderzoekers dat „de slordige veiligheidscultuur” van het korps” ertoe leidt dat het „voor leidinggevenden […] in de huidige situatie vrijwel ondoenlijk is verantwoordelijkheid te dragen voor de veiligheid van […] personeel”.

Bij een andere brand, in 2016 in een roti-afhaalrestaurant aan het Hoofddorpplein, stormt een brandweerman blind naar binnen en raakt dermate „gedesoriënteerd” dat hij uit het pand moet worden gered door zijn bevelvoerder. Conclusie in de evaluatie: de Amsterdamse brandweer legt bij een uitruk te veel nadruk op snelheid en te weinig op verkenning van de brand. Het is aanleiding voor de korpsleiding om een trainingsprogramma te beginnen met als naam ‘Stop en denk na’.

Een nieuwe commandant

Schaap is niet de eerste brandweercommandant die het korps wil aanpakken. In maart 2006 treedt Caroline van de Wiel aan. Ze is niet alleen de eerste vrouw op die post maar ook de eerste zonder achtergrond bij de brandweer. De oud-directeur van het gemeentelijke waterleidingbedrijf treft een organisatie aan die in de touwen hangt. Er is een hoogoplopend conflict over de riante arbeidsvoorwaarden en de brandweer kampt met grote financiële tekorten. Van de Wiel moet op last van de politiek bezuinigen. „De organisatie verkeert in een zorgwekkende staat”, concludeert het gemeentebestuur eind 2006.

Van de Wiel, representant van het poldermodel, praat en werkt zich een slag in de rondte. Steeds weer stuit ze op de rigide organisatiecultuur. Van de Wiels tactiek: geven, om op termijn te kunnen nemen. Ze toont begrip voor de eis van de manschappen om er bijbanen op na te houden. Op haar beurt wil ze hun instemming om de brandweer te moderniseren. Er moet meer aandacht komen voor het voorkómen van branden en ze wil dat er een ‘proeftuinkazerne’ komt, waar wordt geëxperimenteerd met roosters zonder 24-uursdienst. Na eindeloos praten stemt de ondernemingsraad eind 2011 in, mits deelname aan de proeftuinkazerne op vrijwillige basis gebeurt.

Van de plannen komt onder haar opvolger Elie van Strien niets terecht. Van Strien, een geboren brandweerman, kiest al snel de kant van de uitrukdienst. De preventie komt niet van de grond („We zijn hier aangenomen om branden te blussen”, klinkt het veelvuldig), de opgelegde samenwerking met de brandweerkorpsen uit de regio („de boerenbrandweer”) wordt stelselmatig getraineerd en met de plannen voor de proeftuinkazerne gebeurt hetzelfde. „Ik moet constateren dat het niet is gelukt op dit punt enige vorm van uitvoering te realiseren”, schrijft burgemeester Eberhard van der Laan in 2015.

Van der Laan voelt zich genept door de ‘rode’ Van Strien. Die vereenzelvigt zich met de manschappen, terwijl hij op het stadhuis lange tijd anders heeft doen voorkomen. Als Van Strien vier jaar na het sluiten van de transitieovereenkomst voorstelt om op de proeftuinkazerne ‘geoptimaliseerde 24-uursroosters’ in te voeren, is de maat vol voor Van der Laan. Hij wil een nieuwe commandant. Uiteindelijk komt Van der Laan uit bij politieman Leen Schaap, die naam heeft gemaakt met harde optredens tegen krakers. Zijn aanstelling leidt direct tot wantrouwen bij de uitrukdienst. Wat weet deze ‘blauwe’ nou van hun vak? En zijn al die agentjes niet jaloers op hun heldenstatus en arbeidsvoorwaarden?

Schaap is onthutst over wat hij aantreft. Een organisatie waarin niet de brandweercommandant maar de ondernemingsraad (OR) de baas is. Een korps dat bovendien nog steeds niet financieel op orde is. Tot Schaaps verbijstering blijkt na een anonieme tip van een oud-werknemer dat er bijna vier miljoen euro te veel is uitgekeerd aan toelages.

Vanaf dag één maakt Schaap – intern én extern – duidelijk waar hij op uit is: het aanpakken van de 24-uursdiensten. Van het etmaal dat de mannen op de kazerne verblijven, zijn ze er maar acht uur officieel aan het werk: van acht uur ’s ochtends tot vier uur ’s middags. De rest zijn waak- en slaapuren, waarin de brandweerlieden niets hoeven te doen – tenzij er een uitruk is. En die acht uur werk? Daarin mogen ze ook schoonmaken, sporten, boodschappen doen en lunchen, schampert Schaap in een interview. „Iedereen denkt dat de brandweer altijd maar aan het werk is. Maar dat is helemaal niet het geval. Hooguit een paar uur per dag.”

Op de kazerne zien ze dat anders. De commandant snapt niet hoe belangrijk de 24-uursdienst is voor het groepsgevoel. En hoezo zestien uur niets doen? Er is tijdens die uren altijd wel ergens brand – en dan moet je er stáán.

Er is ook een minder verheven reden om aan de 24-uursdiensten vast te houden: geld. Als de brandweerlieden in een gewoon rooster moeten werken, hebben ze minder compensatiedagen – en kunnen ze er geen tweede of derde baan meer op nahouden. En zonder 24-uursdienst is het vak van brandweerman straks geen ‘bezwarend beroep’ meer. Met als gevolg: minder toeslagen.

Op het hoofdkantoor en in de kazernes zijn veel managers blij met Schaap: ze voelen zich in conflicten met de werkvloer eindelijk gesteund. Maar de OR manifesteert zich al snel als Schaaps grootste tegenstander. Het maandelijkse overleg met de korpsleiding mondt steevast uit in een verbale loopgravenoorlog. Over álles is onenigheid en argwaan – tot en met discussies over onafhankelijkheid van de verslaglegging. „Moeten we anders een externe notulist inhuren?” oppert een OR-lid.

Wanneer Amsterdamse raadsleden in september 2017 een werkbezoek brengen aan kazerne Teunis bij de Haarlemmerweg, zijn ze verbijsterd over de ijzige sfeer tussen Schaap en de mannen van de OR. Binnen vijf minuten vliegen de verwijten over en weer.

In de ogen van Schaap pleegt de OR obstructie: traineren, nee zeggen, eindeloos kissebissen over regeltjes en protocollen. De mannen van de OR vinden juist dat Schaap het probleem is: door zijn disciplinaire straffen en harde uitlatingen in de media heeft hij een „angstcultuur” gecreëerd binnen het korps. „Het lijkt er op”, zeggen ze tijdens een intern overleg over de onrust, „dat door de vele veranderingen en onrust er nu medewerkers zijn die de druk niet aankunnen en hierdoor ongepast gedrag vertonen.”

De mannen die worden gestraft, vinden ze bij de OR, zijn precies de mensen die het verzet plegen tegen het beleid van Schaap. „Hij behandelt het korps als een kraakpand dat moeten worden ontruimd”, zeggen ze tegen elkaar. Ze vermoeden zelfs dat ze door hem worden afgeluisterd. Ze richten een werkgroep op voor mensen die zich geïntimideerd voelen door de leiding: ‘Werken zonder vrees’.

Lees ook het hoofdredactioneel commentaar: Slepende gezagscrisis bij brandweer is funest

‘Pesten zit niet in mij’

Kutmoslims. Zwarte apen. Kanker-Marokkanen. Tering kanker tyfus neger. De termen die een hoofdbrandweerman in het bijzijn van zijn collega’s gebruikt, liegen er niet om. En hij beperkt zich niet tot de kazerne Pieter, in Amsterdam-West. Als hij boodschappen gaat doen, noemt hij winkelende burgers op luide toon „brillenjood” of „dikzak”. Tegen een vrouw met een grote oorring zegt hij: „Hé, die heb ik als cockring.”

En dan is er nog zijn voorliefde voor het Derde Rijk. In de kazerne brengt hij de Hitlergroet. Hij paradeert door de gangen in een oude, leren brandweerjas en een legerpetje. Schreeuwt via de intercom bevelen in het Duits, of draait oorlogsmuziek.

Vijftien collega’s getuigen over de racistische teksten van de brandweerman. Ze doen dat tegenover een door Schaap ingehuurde onderzoeker van recherchebureau Pinkerton, begin 2017. De man zelf ontkent of relativeert alles. Racistische of anti-islamitische uitspraken heeft hij nóóit gedaan. „Pesten zit niet in mij”, verklaart hij. Teksten in het Duits via de intercom? Kan zijn, maar net zo goed in andere talen. „Meestal deed ik Jambers na in het Belgisch.” En die Hitlergroet? Een imitatie van ‘Allo ‘Allo!. Hij ziet zichzelf als de joker van de kazerne.

Het gedrag van de brandweerman is lang niet het enige voorbeeld van racisme, discriminatie en pesten in het korps. Neem de opmerkingen van een bevelvoerder van kazerne Dirk tijdens een training ‘groepsdynamiek’ op 25 oktober 2017. Als hij ziet dat er een pepernoot op de grond valt, zegt hij tegen een donkere collega: „Hé Zwarte Piet, ga je strooien?” Niemand in de groep zegt er iets van.

Een vrouwelijke collega die op de administratie werkt van kazerne Willem vindt op een maandagochtend in november 2017 een dildo in haar bureaula. Ze is geschokt en doet aangifte. „Grapjes maken gebeurt om moeilijke situaties te kunnen relativeren of vergeten,” zeggen brandweermannen tegen medewerkers die de zaak onderzoeken. Een dader wordt niet gevonden.

Jarenlang vinden vrouwen en minderheden geen gehoor bij de leiding als het gaat om discriminatie en pesten. Dat gebeurt hier niet, is de standaardreactie. En als het al gebeurt, is het „Amsterdamse humor” – daar moet je tegen kunnen. Maar in 2016, nog voor de komst van Schaap, slaat een groep brandweerlieden met een migratie-achtergrond de handen ineen. Ze komen samen in een café in Amsterdam-Oost. Daar komen de schrijnende verhalen op tafel. De racistische grappen. Opmerkingen over het voorkeursbeleid, zoals: „Door jou zit mijn zoon niet bij de brandweer.” De onzekerheid of je een bevelvoerder wel kunt vertrouwen als je een brandend pand in rent.

‘Respect’, zo noemen ze hun clubje. Ze krijgen meteen het oor van Schaap. Die heeft diversiteitsbeleid tot één van zijn speerpunten gemaakt. Hij komt langs bij een bijeenkomst van Respect, gekleed in een informeel, blauw brandweeroverhemd. In het korps heeft de werkgroep een averechts effect: niet het racisme, maar het bestaan van Respect roept grote weerstand op.

In de vergaderingen met de OR leidt het diversiteitsbeleid tot aanvaringen. De OR vindt dat Schaap racisme en seksisme in het korps uitvergroot. Zijn inspanningen voor meer vrouwen en migranten zijn juist een slinkse poging om „jonge blanke mannen” eruit te werken. „Het verzet op de werkvloer is massief.” Steen des aanstoots is een speciaal sportklasje voor vrouwen, dat ervoor moet zorgen dat ook zij de verplichte sporttest kunnen halen. Bij een overleg in februari van dit jaar lopen de gemoederen hoog op. Met het vrouwensportklasje, zegt de OR, overtreedt de korpsleiding artikel 1 van de Grondwet: gelijke behandeling van iedereen. Er wordt geschorst om af te koelen.

Op iedere melding van racisme of seksisme volgt vanuit de korpsleiding de zwaarst denkbare disciplinaire straf – als afschrikwekkend voorbeeld. De bevelvoerder van de opmerking over Zwarte Piet wordt twee dagen na de training aangesproken op zijn gedrag door een leidinggevende. Hij toont zich verrast: hij is zich van geen kwaad bewust. Daar denkt de leiding anders over. De man wordt voor een jaar teruggezet in rang en salaris. Hij wordt overgeplaatst naar een andere kazerne.

Als straf voor de dildo-grap wordt het budget voor een teamuitje niet uitgekeerd, wat weer leidt tot een storm van protest. Helemaal als Schaap de zaak op het intranet van het korps benoemt.

De brandwacht van de Hitlergroet krijgt onvoorwaardelijk strafontslag. Alleen: in juli 2017 draait de rechter dat besluit terug. Een deel van de racistische uitlatingen acht hij bewezen, al plaatst hij vraagtekens bij de kwaliteit van het onderzoek van Pinkerton. Maar Schaaps voorganger Van Strien heeft de brandwacht verzekerd dat de zaak gesloten is – en dus had Schaap deze nooit opnieuw mogen oppakken. De brandwacht mag weer aan het werk.

Het is de methode-Schaap: vastberaden om zijn opdracht te vervullen, schuwt hij geen middel. Exemplarisch is de zaak van een hoofdbrandwacht van kazerne Anton die zich begin november 2017 ziek meldt bij zijn leidinggevende: buikgriep. In de top van de brandweer bestaat de verdenking dat de man zich afmeldt om zijn handen vrij te hebben voor twee ondernemingen die bij bestiert buiten werktijd.

Oud-politieman Schaap en zijn mensen gaan meteen over tot actie. Ze nemen opnieuw bureau Pinkerton in de arm. Medewerkers van het bedrijf bezoeken twee dagen achter elkaar het commerciële klimpark van de brandweerman in Nieuw-Vennep. Ze zien hoe hij daar een graafmachine bestuurt. De privédetectives leggen het met hun camera’s vast. Op basis van het rapport van Pinkerton wordt de brandweerman begin 2018 gestraft met voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaar.

De zaak heeft zich inmiddels naar de rechtszaal verplaatst. De brandweerman ontkent aan het werk te zijn geweest op zijn klimpark. Hij was naar eigen zeggen slechts „korte tijd aan het rommelen met een happer”. Bovendien voelt hij zich in zijn gesprek met de onderzoekers overvallen en onder druk gezet.

Er is een duidelijk patroon zichtbaar in Schaaps optreden: rechttrekken wat in decennia is scheef gegroeid onder zijn voorgangers. Hij heeft weinig om op terug te vallen: van oudsher hoeven de brandweerlieden voor hun tweede of derde baan slechts op vrijwillige basis toestemming te vragen. „Er bestaat geen (volledig) zicht op het aantal medewerkers dat nevenwerkzaamheden verricht,” constateert bureau Integis eind 2017, noch op „de aard en de omvang” van die werkzaamheden. „Dit heeft tot gevolg dat willekeur wordt gecreëerd bij het verzoeken om en het geven van toestemming voor nevenwerkzaamheden.”

Schaaps strategie herbergt een risico. Er bestaat een gerede kans dat de korpsleiding aan het kortste eind trekt. Dat gebeurde al eerder met een zaak tegen drie brandweerlui. In oktober 2017 geven ze een afscheidsfeestje in café het Wapen van Diemen, om te vieren dat ze met pensioen gaan. De korpsleiding verdenkt ze van het indienen van valse declaraties en doet aangifte wegens oplichting. Maar het OM ziet geen reden om over te gaan tot vervolging, de mannen zijn volgens de aanklager „ten onrechte” als verdachte aangemerkt.

Krijgt Schaap steun?

Het is een drukte van jewelste in de kantine van voetbalclub TOG in de Amsterdamse Watergraafsmeer. Op woensdagavond 16 mei van dit jaar verzamelen zich daar zo’n tweehonderd brandweerlieden. Voor de deur staan grote motoren en dure scooters.

Een bijeenkomst om stoom af te blazen, noemen aanwezigen het naderhand. Even onder gelijkgezinden je beklag doen over de angstcultuur die Leen Schaap heeft gecreëerd – zonder dat leidinggevenden je bespioneren of verklikken.

De korpsleiding ziet het anders. In de kantine van TOG zijn plannen beraamd om commandant Schaap en de rest van de brandweertop te wippen. Want dat de aanwezigen dat graag zouden zien, daar bestaat in de korpsleiding geen twijfel over. Dat ze nog niet tot actie zijn overgegaan, maakt het samenzijn niet minder omineus.

Duidelijk is dat de strijd tussen de korpsleiding en de uitrukdienst zich op dit moment op een hoogtepunt bevindt. Schaap heeft onlangs een belangrijke slag gewonnen: zijn contract is met drie jaar verlengd, zonder ruggespraak met de OR. Zijn tegenstanders moeten vooral niet denken dat hij over een jaartje toch weg is. Op 1 januari 2019 hoopt Schaap eindelijk de proeftuinkazerne te openen.

Maar de OR blijft zich verzetten. Ze hebben twee rechtszaken in gang gezet om de komst van de proeftuin te blokkeren.

Eén ding is cruciaal voor de afloop van de strijd: krijgt Schaap voor de onvoorwaardelijke steun van de nieuwe burgemeester, Femke Halsema? Veel keuze heeft ze niet. Als Halsema de scherpe randjes van Schaaps beleid probeert af te vijlen, stapt hij op en sneeft de ambitie om de 24-uursroosters te schrappen opnieuw. Bovendien is de positie van Schaaps medestanders in het management en op de werkvloer dan ernstig verzwakt. Het conflict heeft de afgelopen twee jaar een scherpe lijn getrokken door de organisatie: ben je vóór of tegen Schaap?

Als Halsema zich vierkant achter Schaap schaart, kan ze laten zien dat ze als GroenLinkser niet soft is op veiligheid. Alleen: ook zij zal dan, net als Schaap, de woede van de manschappen ervaren. Al is hun openingszet charmant. In een brief aan haar schrijft de OR op 26 juli: „Ook wij zijn verheugd dat onze mooie stad eindelijk een vrouwelijke burgemeester heeft.”

Reageren? onderzoek@nrc.nl

Lees de hele brief aan Halsema hieronder:

Brief aan de burgemeester

Correctie (6 augustus 2018): Bij dit artikel waren eerder enkele foto’s geplaatst van brandweerlieden van het korps Haaglanden. Die komen echter niet in het verhaal voor. De foto’s zijn daarom verwijderd.

    • Hugo Logtenberg
    • Thijs Niemantsverdriet