Recensie

Een vloedgolf aan literaire drift

Martha Heesen

Haar bruisende novelle vertelt een lyrisch verhaal over de vervorming van onze herinneringen.

Illustratie Paul van der Steen

Op een bankje in de tuin voor zijn huis zit een oude man. Zijn zintuigen zijn niet meer wat ze geweest zijn, zijn geheugen is dat ook niet. Hij rust uit van het zeisen, met voor hem een slagveld van neergemaaide brandnetels. Er staat een riek rechtop in de aarde. De bladeren van de abeel – een populier met een wat noestere naam – ritselen.

Met dat tafereel, steeds weer dat tafereel, begint zo’n beetje een derde van de hoofdstukken in de novelle Zeiseman van Martha Heesen (1948); het is een eeuwige wederkeer, een voortdurende, voortgaande herhaling, herneming, hernieuwing, herwaardering. Het leven van de oude man, Remigius, loopt op z’n einde, er valt meer te herbeleven uit het verleden dan te beleven in het heden of naar uit te zien in de toekomst – en daarom beheersen de herinneringen zijn gemoed. Sterker: ze dringen zich in golven aan hem op. In wonderlijk aanzwellende, aanrollende en weer terugtrekkende golven van taal, vol beeldende energie. Van een eindhalte of stilstand is daardoor nog geen sprake.

Het is een opvallend lyrisch werkje, deze eerste novelle voor volwassenen van Martha Heesen, en hopelijk niet iets eenmaligs. Heesen bouwde al een flinke reputatie op als auteur van kinderliteratuur, ontving in 2015 de driejaarlijkse Theo Thijssen-prijs voor dat oeuvre. En het is alsof er nu, in Zeiseman, een vloedgolf aan literaire drift door haar dijken gebroken is – alsof wat niet kon in het werk voor kinderen nu wél kan. Alleen al de stijl, alleen al haar poëtische, krachtige beelden: ‘Zijn kracht is droog als een potscherf, zijn tong kleeft aan zijn gehemelte’ – zo voelt dat voor die oude man, na het zeisen.

Schuimende woorden

Maar vaker nog laat Heesen haar zinnen meanderen, haar woorden schuimen. Zoals wanneer Remigius, kortweg Remies, zich een belangrijke vrouw uit zijn leven herinnert, in die tuin, onder die abeel: ‘Rommel, noemde ze de bladeren wanneer ze waren opgehouden met ruisen en zilverig glinsteren in de wind, wanneer ze brutaal loslieten en ’s morgens als ze buiten kwam het hele voorerf hadden bedolven. Die rommel altijd! En dan ging ze harken, zelfs als het waaide en de netjes opzij geharkte bladeren weer in dichte drommen om haar benen kolkten bleef ze harken, want wie was hier eigenlijk de baas.’

Dat klinkt, en het voelt als een metafoor – zoals alles in deze novelle ook metaforisch op te vatten is, al hoeft dat ook niet per se, want het klinkt ook al, en roept wat op. Je zou Remies’ herinneringen gemakkelijk óók als zulke drommende, kolkende bladeren kunnen beschouwen, waar niet tegenop te harken valt. Heesen toont de wereld van een oude man, maar ook van het kind dat hij was, de jongen, de jonge man die hij werd. Ze laat tijden, plaatsen en gebeurtenissen door elkaar lopen om zo de ervaring te vangen van de gelijktijdigheid van alles – het voornaamste onderwerp van Zeiseman. De scheiding tussen de hoofdstukken is niettemin scherp: in de oneven hoofdstukken zien we de oude man, in de even hoofdstukken de herinneringen. Ertussendoor brengt een koor, zoals in een Grieks drama, een eigen blik op de vertelling, in versregels – als de schimmen uit het verleden die hem bij de les houden. ‘Wanneer – / let op Remigius – wanneer is dat harde dan / begonnen, die frons, die lijnen bitterheid,/ die stille mond, wanneer, weet u het heus niet / meer? Wacht maar, wij helpen u wel even.’

Illustratie Paul van der Steen

Dat harde begon onder andere tijdens die jeugd, een typisch Zuid-Hollandse dorpsjeugd in de eerste helft van de twintigste eeuw, beginnend in zalige ledigheid, eindigend in oorlog. Remies groeit op in een gezin onder hoogspanning, met een moeder die nooit over een overleden kind heenkwam, een vader die zich aan haar probeert te onttrekken op zijn werkkamer. We zien hoe Remies om zijn zwarte haar en doordringende ogen voor zigeuner uitgescholden wordt, ‘sigeune’, hoe hij bevriend raakt met Matthias, die van een andere kerk is, maar: een vriend.

Koebeesten

Typisch inderdaad – zulk soort verhalen zijn op zich nog niet bijster origineel. Maar alles wordt bepaald door de manier waarop Heesen vertelt, in lange, kommarijke zinnen, evenzeer haarfijn als woest wervelend, die je telkens in Remies’ hoofd en onder Remies’ huid laten plaatsnemen. Dat gaat zo: ‘Hij staat daar midden op de dijk, waar de enorme koebeesten hem tegemoetlopen, ze hebben hem al gezien, ze heffen hun zware kop op met hun zware puntige horens, ze staren hem aan, en hij zet nu zijn knikkerogen op, zo fel en zo zwart als hij kan, hij voelt de diepe rimpel tussen zijn wenkbrauwen. Doodstil staat hij daar. Het werkt, natuurlijk werkt het, even aarzelen ze, even kijken ze hem nog aan, een beetje verbaasd, en dan zwenken ze een voor een gehoorzaam naar het hobbelige stenen koepad dat schuin de dijk af gaat, langs de boomgaard en dan met een grote boog naar de stal.’ In dat soort waarnemingen blijft Heesen knap dicht bij de ervaring van een kind – iets waar haar jeugdliteratuur ook in uitblinkt – en toont ze Remies als de scherpe waarnemer die later een talent voor tekenen zou ontwikkelen.

Je kunt die druistige woordendrommen gekunsteld noemen, zoals je die koor-intermezzo’s (die ostentatief, zelfbewust, grappig aftrappen met ‘pom-póm-pom-pom-póm!’) en zinnen als die met de kolkende bladeren ook too much zou kunnen vinden. Beheerst is Zeiseman misschien niet, maar Heesen vliegt ook niet nodeloos uit de bocht. De lyriek is zelden slechts ter verfraaiing, zelden slechts vertoon of mooischrijverij. De lyriek vertelt een verhaal, een verhaal over de vervorming van onze herinneringen die op roezige beelden stoelen. Over de invloed die gevoelens daarop hebben, over de lading die we in die beelden leggen. Omdat we tegelijk weten dat in die flarden, in die nevels, het leven is achtergebleven.

    • Thomas de Veen