Recensie

Hoe een Nederlander in het erotische Tokio van de jaren 70 belandt

Boekrecensie Als Ian Buruma in de jaren 70 in Japan belandt, is dat land een seksuele vrijhaven. Via een vriend belandt hij in de kringen van de Japanse bohème, die niet onderdoet voor het Parijse fin-de-siècle. (●●●●)

In het Japans betekent ‘buroemah’ onderbroek. Voor de jonge student Ian Buruma, die van 1975 tot 1981 in Tokio woont, is die associatie niet altijd prettig. Zo noemt de beroemde choreograaf Hijakata hem neerbuigend ‘broekie’, om hem met zijn intellectuele en artistieke onervarenheid te confronteren. Het is een van de vele anekdotes uit Tokio mon amour, Buruma’s boeiende en vermakelijke herinneringen aan zijn Japanse jaren.

Buruma, tegenwoordig hoofdredacteur van The New York Review of Books, ging naar Tokio om er aan de filmacademie te studeren. Door toeval was hij met Japan in aanraking gekomen. Azië deed hem aanvankelijk niets. Hoogstens wilde hij ontsnappen aan het beschermde milieu waarin hij was opgegroeid. Zijn enige avontuurlijke familielid was de broer van zijn Brits-Joodse moeder, de filmregisseur John Schlesinger, die in de jaren zestig en zeventig furore maakte.

Op reis in het hippe Californië van 1970 ontmoet Buruma (1951) een regisseur van homopornofilms, die van Japanse komaf is. Dankzij hem belandt hij in zwoele gayclubs, waar hij ontdekt dat ruige seks niet echt zijn stijl is. Terug in Nederland besluit hij sinologie in Leiden te gaan studeren. Aanvankelijk kiest hij voor Chinees, maar het voor buitenlanders gesloten China is hem te abstract. Nadat hij een film van François Truffaut heeft gezien, waarin Hiroko, het beroemde model van Pierre Cardin, een hoofdrol speelt, stapt hij over op Japans. Het is een keuze die zijn verdere leven voorlopig zal bepalen. Ook zal hij er een vrouw vinden.

Tokio is in die tijd aan het herstellen van de Tweede Wereldoorlog. De Japanners zijn arm en kunnen niet naar het buitenland reizen. Buruma beschrijft hoe ze daarom het buitenland in eigen land hebben nagebouwd, met Duitse bierhallen en tuttige Franse cafeetjes. Het is een Disney-variant van het Westen.

Op seksueel gebied is Japan een vrijhaven, vooral voor westerlingen uit landen waar homoseksualiteit strafbaar is. Het is dan ook een Amerikaanse homoseksueel, de journalist Donald Richie, die hem op sleeptouw neemt. Via hem belandt Buruma in kringen van de Japanse bohème, die niet onderdoet voor het Parijse fin-de-siècle. Zijn leven als gaijin (westerling) heeft veel weg van een toneelstuk, schrijft hij.

Baden in erotische fantasieën

Lees ook: Ga je naar Tokio? Dit zijn de hotspots

De toneelstukken en speelfilms die hij in obscure theaters ziet, hebben een sterke seksuele ondertoon, wat niet zo vreemd is gezien de losbandigheid van de Japanse samenleving van die dagen. Buruma beschouwt het allemaal met de scherpe blik die je van hem gewend bent. Zo benadrukt hij het ‘emotioneel realisme’ van regisseurs als Ozu, Mizoguchi en Kurosawa: ‘Ze benaderden de duisterder – seksuele, sociale, spirituele – menselijke impulsen met een zeldzame openheid die men minder vaak zag in Europese en Amerikaanse films.’ Ook merkt hij op dat het Japanse publiek ontvankelijk was voor dat realisme, wat je in 2018 heel anders naar die schitterende films doet kijken. Zulke waarnemingen zijn dan ook het knappe aan Buruma’s aanpak. Altijd blijft hij de scherpzinnige buitenstaander, die de kern van de zaak probeert te vangen.

Als Buruma schrijft dat Richie, die de Japanse film in het Westen heeft geïntroduceerd, het altijd over seks heeft, merkt hij terloops op dat hij niet eerder in een land heeft gewoond ‘waar reclame, populaire media en amusement zo in erotische fantasieën baadden als in Japan’. Vervolgens neemt hij een duik in het verleden en vertelt hij hoe eind zestiende eeuw Portugese jezuïeten geschokt waren over de vrijheid van Japanse vrouwen om van hun man te scheiden, ongewenste kinderen te laten aborteren of buitenechtelijke affaires te hebben, en dat die vrijheden in de daaropvolgende eeuwen drastisch zijn ingeperkt.

Buruma concludeert dat Japan hem in erotische zin beroert, waarbij hij de schrijver Arthur Koestler aanhaalt, die de mengeling van verlangen, fatsoen, losbandigheid en decorum stoïcijns hedonisme noemt. Zulke opmerkingen maken Tokio mon amour meer dan de moeite waard, omdat ze je die ingewikkelde samenleving op volle kracht binnen sleuren.

    • Michel Krielaars