Opinie

    • Ellen Deckwitz

Verdwenen

Afgelopen week zat ik in New York aan tafel met een lucht- en ruimtevaartingenieur. Toen hij zag hoe bleek ik wegtrok wanneer hij vertelde over zijn werk (het triggerde paniekerige herinneringen aan eindeloze blokuren wis-, natuur- en scheikunde) nam hij me maar mee voor een uitstapje naar de USS Intrepid, een soort openluchtmuseum voor mensen die geen aanleg hebben voor de exacte wetenschappen. Geduldig legde hij me van alles uit. Toen we eenmaal onder het ruimteveer Enterprise stonden, vielen we beiden stil. Het ding was zo enorm. Hoe kon dat ooit opstijgen?

„Als je bedenkt dat de eerste ruimtereis gebaseerd was op aannames, is het al helemaal onvoorstelbaar dat we die maan ooit hebben bereikt”, zei de ingenieur. „En het is nog maar de vraag of ons dat weer gaat lukken.”

„Hoe bedoel je?”

„Er is nogal wat kennis verdwenen. Een goed deel van de data die noodzakelijk waren voor de maanlanding is er niet meer.”

„Hoezo? Vernietigd of gestolen door de Sovjets?”

„Gewoon niet opgeslagen. We kunnen aan de hand van wat overgebleven onderdelen wel raden hoe ze het hem ongeveer geflikt hebben, maar dat is alles. Men stond onder enorme tijdsdruk om de Russen voor te zijn en had dus geen tijd om een uitgebreid archief aan te leggen. Veel ingenieurs werkten bovendien op contractbasis, dus die lieten ook geen gedetailleerde plannen na. Voor een nieuwe maanmissie zullen we het wiel goeddeels opnieuw moeten uitvinden.”

Ik stond paf. Was ik zo geschokt omdat ik ben opgegroeid in een tijdvlak waarin iedereen verslaafd is aan het vastleggen van data? De externe harde schijven vallen voor mijn generatie niet aan te slepen.

„Ik voel me een beetje verraden door de generaties voor ons”, zei ik tenslotte tegen de ingenieur, „alsof ze het niet de moeite van het overleveren vonden.”

„Nou ja, ze waren zelf denk ik al verbaasd genoeg dat het hen überhaupt lukte.”

Ik dacht aan mijn oma. Die gaf haar kleinkinderen graag complexe raadsels op. Hoe erg we ook smeekten, nooit gaf ze de oplossing. We moesten het helemaal zelf uitdokteren. Je zou kunnen zeggen dat dat educatief verantwoord was, maar het sadistisch genoegen waarmee ze ons zag spartelen suggereerde dat het ook nog andere doelen diende.

Die nacht lag ik te draaien in bed. Ik probeerde te bevatten hoe het kon dat we iets ooit konden en nu niet meer. Ik woelde en woelde alsof ik een sleutel was en het matras een slot, en dat als ik mijn ledematen maar op de goede plek plaatste, er eindelijk weer plek voor ons zou zijn tussen de sterren.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

    • Ellen Deckwitz