Opinie

Pensioen

Verlaging van de AOW-leeftijd is het verkeerde signaal

Het is op het eerste gezicht een logische aaneenschakeling: lager opgeleiden beginnen gemiddeld genomen eerder met werken, doen fysiek zwaarder werk en leven korter. Zodoende zou deze groep eerder met pensioen moeten. Dat vinden althans onderzoekers van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut die hiervoor een plan hebben ontvouwd op de economenwebsite Me Judice.

Was het maar zo simpel. Niet iedereen valt onder het door de onderzoekers geschetste patroon. Sterker nog: de beroepsbevolking laat een steeds gevarieerder beeld zien waarbij de baan voor het leven met alle toekomstscenario’s die daaraan kunnen worden vastgekoppeld eerder uitzondering dan regel wordt.

Het idee om lager opgeleiden eerder recht op pensioen te geven is het zoveelste van buiten in de slepende pensioendiscussie waarbij het grote wachten is op de organisaties van werkgevers en werknemers die al sinds 2014 binnen het polderverband van de Sociaal-Economische Raad praten over een nieuw stelsel. Wat de suggesties van de demografen vooral illustreren is de noodzakelijke behoefte aan meer flexibilisering.

Dit voorjaar leek het er even op dat een akkoord tussen werkgevers en werknemers aanstaande was, maar inmiddels is de stilte weer ingetreden. Dat zegt overigens niet alles. Het kan heel goed zijn dat achter de schermen wel hard wordt gewerkt waardoor de sociale partners voor Prinsjesdag als het derde kabinet-Rutte zijn eerste eigen begroting presenteert alsnog een gezamenlijk plan kunnen aanbieden.

Het kabinet zou niets liever willen. In het regeerakkoord wordt hier al op geanticipeerd. Uitgangspunt is een collectief systeem met meer individuele keuzevrijheid voor de deelnemers. Daarbij wordt terecht aangesloten bij een maatschappelijke trend die al veel langer gaande is.

Maar wat er dreigt te gebeuren, is dat de hoognodige discussie over een nieuw bijdetijds pensioenstelsel gedomineerd gaat worden door de hoogte van de AOW-leeftijd. Hoewel zowel van werkgevers- als van werknemerszijde wordt ontkend dat er al een bijna-akkoord is, blijft het hardnekkige gerucht de ronde doen dat de AOW-leeftijd hierbij een rol speelt. In ruil voor een akkoord zouden de onderhandelende partijen van het kabinet verlangen geen verdere stappen te zetten op weg naar verhoging van de AOW-leeftijd naar 67 jaar. De pensioenleeftijd zou voorlopig op 66 jaar moeten blijven staan.

Sociale partners hebben hierbij een gezamenlijk belang. De in rap tempo vergrijzende achterban van de vakbeweging is fel gekant tegen elke verhoging van de AOW-leeftijd. Werkgevers hebben baat bij een lagere pensioenleeftijd omdat zij dan eerder afscheid kunnen nemen van vanwege hun leeftijd minder productieve werknemers. Alleen de overheid heeft geen belang: doordat mensen ouder worden, nemen de kosten voor de AOW snel toe.

Daarom zou het uiterst onverstandig zijn als het kabinet in ruil voor een pensioenakkoord weer zou afstappen van de aan de levensverwachting gekoppelde AOW-leeftijd van vooralsnog 67 jaar. Niet voor iedereen is werken tot 67 jaar weggelegd. Daar moeten, net als toen de pensioenleeftijd op 65 jaar lag, voorzieningen voor worden getroffen. Regelingen die nog verder op maat kunnen worden gesneden. Maar de AOW-leeftijd voor iedereen terugbrengen van de voorgenomen 67 jaar in 2021 naar 66 jaar is precies het verkeerde signaal.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.