Foto Frank Ruiter

‘Ik was de goeie, met mij was nooit wat mis’

Lunchinterview Nowelle Barnhoorn (31) schreef een boek over haar tweelingzus Roos en zichzelf. Zij is gezond, Roos gehandicapt. „Ik kan het gevoel van beklemming zo weer oproepen.”

Nowelle Barnhoorn (31) is ‘de goeie’ van de twee. Haar zusje, Roos, werd zes minuten later geboren, maar bij haar ging heel veel mis. Roos liep bij haar geboorte „aanzienlijk hersenletsel” op. Haar lichaam heeft de „willoosheid van een pittenzak”. Ze is spastisch, zit van kleins af aan in een rolstoel en heeft permanent hulp en verzorging nodig. Nowelle studeerde (journalistiek) en werd schrijver. Zij en haar zusje deelden dezelfde eicel, hun DNA is identiek, maar hun levens zijn een wereld van verschil. Zie daar maar eens, als wel-gelukt-deel van een tweeling, mee te leven. Met het schuldgevoel, de schaamte, het verdriet en het verantwoordelijkheidsgevoel. In De tweelingparadox, haar tweede roman, geeft Nowelle Barnhoorn een indruk van hoe ingewikkeld dat is.

Op een snikhete donderdagmiddag loopt ze het terras op van een voormalige Amsterdamse stadsboerderij. Ze is opgegroeid in Hurdegaryp, een dorp vlak onder Leeuwarden, maar er valt weinig Fries aan haar te ontdekken. Donkere krullen, olijfkleurige huid, over de lengte van haar rechter onderarm een hennakleurige tatoeage. Ze aait erover en zegt dat het haar enige link is met het Algerijnse bloed van haar vader. Ze kent hem niet. Hij heeft zijn tweeling aangegeven bij de burgerlijke stand en is kort daarop weggegaan om nooit meer terug te komen. Haar moeder, destijds halverwege de twintig en zonder vaste baan, verhuisde met haar tweeling naar het dorp waar haar moeder woonde en waar ze een aangepaste huurwoning kon betalen.

Nog even iets over die geboorte, om beter te begrijpen waar Nowelle mee zit – of zat, moet ik eigenlijk zeggen. Ze werden verwacht op 11 november 1986, maar ze kwamen al op 2 september, twee maanden te vroeg. De schedels nog te zacht voor een natuurlijke bevalling, de longen onrijp. Geen operatiekamer beschikbaar, geen tijd meer voor een keizersnee. Met een beetje fantasie kun je zeggen dat Nowelle heeft voorgedrongen bij de geboorte, ze lag achter haar zusje, maar kwam als eerste naar buiten. Het wordt nu misschien wat medisch, maar bij meerlingen gebeurt het vaker dat na de bevalling van de eerste, de baarmoeder samentrekt waardoor de tweede in de verdrukking komt. Zuurstoftekort is hoogstwaarschijnlijk de oorzaak van Roos’ meervoudige handicap, en het tekort is – mogelijk – veroorzaakt door de eerstgeborene. De een verstikt de ander. Tot overmaat van ramp was er maar één couveuse voorhanden, maar daar lag Nowelle al in. Zo heb je, nog geen uur oud, al een tragedie op je geweten.

Meer afstand tot emoties

Waarom, vraag ik, heeft ze van de tweeling in De tweelingparadox – overduidelijk een autobiografisch boek – jongens gemaakt. „Het is makkelijker om vanuit een man te schrijven. Natuurlijker. Mannen hebben vaak meer afstand tot emoties, en mij gaf het meer afstand om erover te kunnen schrijven.” Wat ook meespeelde: „Het contrast tussen de twee lijkt groter als het jongens zijn. De één normaal, goed uitziend, succesvol. De ander blijft een jongetje. Onvolgroeid, niet in staat zich fysiek te uiten, geen begrip van de normale wereld.” Is het soms zieliger als het over een jongen gaat? „Niet zieliger. Confronterender wel misschien. Hij is hulpeloos, kwetsbaar, aandoenlijk. Hij heeft zo’n totaal andere positie dan normale mannen.” Bovendien, zegt ze: „Twee meisjes en een moeder, drie vrouwen bovenop elkaar in één huis, dat is een en al emotie en onderbuik.”

Maar zo was het in het echt wél? Ze knikt. En zucht daarna diep. „Ik kan het gevoel van beklemming zo weer oproepen.” Niet dat ze een rotjeugd had, dat nou ook weer niet. „Mijn moeders leven was volledig afgesteld op Roos, en ik was er ook.” Tot haar achtste sliep ze bij haar zusje in bed, daarna op een stretcher naast haar, ze deden de spelletjes die Roos kon. „Haar fysieke grenzen waren lang ook de mijne. Ik leidde altijd een extra leven, dat van haar erbij.” Tot ze op een dag haar matras en spullen pakte en naar een kamer op de bovenverdieping verhuisde, waar haar zusje niet komen kon. „Dat voelde als verraad.”

Vijf jaar lang had ik een depressie en daarna kreeg ik een burn-out

Hoe vond haar moeder het boek? „Mijn moeder heeft er wel van wakker gelegen. Ze had toch haar best gedaan? Ze was er toch altijd voor ons geweest? Dat is ook zo. Ik maak haar ook helemaal geen verwijten. Maar toch had ze het gevoel dat ze in de verdediging moest.” En wat vond haar zusje? „Roos? Die reageerde heel typerend. ‘Leuk verhaal’, zei ze. Ze had ervan genoten. En die niet-goeie jongen deed haar denken aan een vriend van haar. Terwijl, als iets in het boek waarheidsgetrouw is, dan is het wel háár manier van spreken. Het is haar taalgebruik, haar grapjes, haar precieze manier van formuleren.” Dus ze kan wel praten? „Ja, al heeft ze járen tegenover de buitenwereld gedaan alsof dat niet zo was.” Ze lacht. Hadden we haar, vraag ik, dan niet ook voor de lunch moeten uitnodigen? „Daar heb ik wel aan gedacht. Maar nee, daar is ze toch te kwetsbaar voor. Ze straalt een en al goedheid en liefde uit, dat zegt iedereen die haar ontmoet. Ze is bedrieglijk in orde, maar je kunt haar van alles wijsmaken. Ze is wereldvreemd.”

Op de proef gesteld

Het gevoel van verantwoordelijkheid voor haar zusjes leven bleef ook toen ze niet meer thuis woonde. Wat als er brand uit zou breken, wat als Roos te water zou raken, wat als hun moeder er niet meer was om haar te helpen? „Ik ben toen maar heel hard gaan werken, en heel hard gaan leven om zo snel mogelijk alles op orde te krijgen. Huis, werk, vrienden, relaties, ik wist precies hoe ik het hebben wilde, dus zo moest en zou het zijn. Ik was de goeie, ik had alle mogelijkheden, met mij was nooit wat mis.” Maar? „Vijf jaar lang had ik een depressie en daarna kreeg ik een burn-out.”

Die burn-out kreeg ze vlak nadat haar zusje met rolstoel en al van een trap af donderde, en daarbij haar knie verbrijzelde. „Ze kon twee jaar lang alleen nog maar liggen. Het was niet toevallig dat ik toen ziek werd.” Alsof haar zusje fysiek op de proef werd gesteld, en zij geestelijk? „Ja precies. Ik ben, net als mijn moeder en mijn oma, steeds meer gaan geloven dat alles een reden heeft.” En dan bedoelt ze? „Mijn zusje heeft haar weg gekozen, ik de mijne.” Toch niet al bij hun geboorte? „Jawel, dat denk ik wel. Zij koos het lichaam waarin ze mentaal kon groeien. En als je ziet hoe zij zich heeft ontwikkeld, de berusting, de wijsheid, ze is zó ver. Verder dan ik.”

De vraag is: wie van hen tweeën koos de moeilijkste weg? „Tot de kleuterklas waren we samen. Toen werd zij apart gezet, ze moest naar het speciaal onderwijs. Ik kreeg er weinig van mee, zij vond het verschrikkelijk. In de puberteit was ik druk met relaties en vrienden, zij was op zichzelf aangewezen. Zij is toen de diepte ingegaan en is het geluk in zichzelf gaan zoeken.” En heeft ze dat gevonden? „Ik kan eerlijk zeggen dat zij oprecht gelukkig is. Hoe minder ze kon, hoe meer blijdschap er was.” ‘Vandaag heerlijk geknuffeld met de katten’, post ze op Facebook. ‘Morgen weer een lekkere chilldag thuis’. Of, bij een foto van een uitje naar de dorpstuin: #lovemylive. „Je kunt leven, reizen, lópen wat je wilt, daar zit het geluk niet. Zij weet dat.” Haar zusje heeft inmiddels een kunstknie en kan weer in een rolstoel zitten. Ze woont, met 24-uurs zorg, in het huis waar ze voorheen met z’n drieën woonden. Hun moeder is verhuisd naar Scheveningen. „We zijn net naar een optreden van Roos geweest in de Harmonie in Leeuwarden.” Grinnikt. „Ze zong ‘Let it be’.”

Accepteer het zoals het is

Het heeft wat langer geduurd, maar nu weet ook zij, Nowelle, dat het leven „gaat zoals het gaat”. „Ik durfde nooit alleen te zijn, tot mijn 25ste was ik bang in het donker.” Ze mediteerde, ze deed aan yoga, maar het hielp allemaal „geen ruk”.

Anderhalf jaar geleden verhuisde ze naar Amstelveen, daarvoor woonde ze samen. „Voor het eerst was ik gedwongen alleen. Een week, twee weken, een maand. Op een avond zat ik op de bank en ik voelde een omslag, echt een fysieke ervaring. Een stemmetje in mijn hoofd zei: ‘accepteer het nou zoals het is’.” Wat viel er te accepteren dan? „Dat wat niet mooi is ook bij het leven hoort. De schuld, de schaamte, de gevoelens van ongeluk en frustratie. Imperfectie mag ook gewoon bestaan.” Net als dat niet-goede-zusje. Vervolgens schreef ze, in zes weken tijd, in één ruk het op haar eigen leven gebaseerde boek waaraan ze zes jaar eerder was begonnen. „Pas door alleen te zijn, kwam ik uit de impasse. Acceptatie is de sleutel naar geluk. Ik sliep weer, ik hyperventileerde niet meer, ik kon weer leven. Ik voelde me herboren.”

    • Rinskje Koelewijn