Foto: Annabel Oosteweeghel

‘Een afrekening van mijn vriendschap met Thierry? Eerder een portret’

Merijn de Boer

Schrijver Merijn de Boer verkent in zijn nieuwe verhalenbundel alternatieve versies van zichzelf. Ook oud-klasgenoot Baudet komt even voorbij. ‘Ik ben gefascineerd door alfamannen.’

‘Het gaat mij om de verbeelding. Ik wil originele verhalen bedenken, die niets te maken hebben met mijn eigen leven, dat geeft me de grootste voldoening. Mijn plezier zit erin om personages te verzinnen en die zo aan te kleden met details dat ze bijna levensecht voelen. Terwijl ze ook niet te realistisch moeten worden en nergens anders bestaan dan op papier. Ik ben niet geïnteresseerd in zelfverwerkelijking via de literatuur. Een verhaal werkt voor mij het beste als het ver van me afstaat.”

Toch moet het meteen even over Merijn de Boer (1982) zelf gaan. Want we hebben op zijn verzoek afgesproken in het restaurantje op treinstation Overveen, dat langskomt in zijn vierde boek, de verhalenbundel De geur van miljoenen. Het betreffende verhaal, ‘In slechte handen’, gaat bovendien over een soort Merijn de Boer: een schrijver die ook als redacteur bij een uitgeverij werkt (zoals De Boer tien jaar deed bij uitgeverij Van Oorschot) en een volmaakt burgerlijk bestaan leidt, met vrouw, kinderen en een huis in deftig Overveen.

De Boer: „Ja, ik ben in de buurt opgegroeid en heb er later ook weer gewoond. Maar het uitgangspunt van dat verhaal is niet realistisch: een hoofdpersoon die zijn dubbelganger ontmoet. Ik kwam daarop door de roman In goede handen van Robert Welagen en De dubbelganger van Dostojevski. Vaak zijn dubbelgangers in verhalen zo bedreigend omdat ze geïdealiseerde versies zijn, die alles beter doen. Ik wilde mijn personage in de spiegel van een minderwaardige ik laten kijken.”

Die blijkt net zo onverdraaglijk als een betere ik.

„Ja, die versie van hemzelf toont hem dat hij een deel van zichzelf heeft weggestopt. Zijn dubbelganger heeft niet gekozen voor een braaf burgermansbestaan en is daardoor nog wel trouw aan zichzelf, iemand die niet voor de buitenkant leeft. Het zou rustiger zijn als beide kanten er konden zijn, dan was er niet zo’n botsing.”

Ben je daar zelf ook mee bezig?

„Misschien. Dat zou kunnen. Maar niet als ik schrijf. Dan gaat het me erom de juiste toon en sfeer te vinden. Stijl en humor zijn het belangrijkste. Vanzelfsprekend komen mijn preoccupaties in mijn werk terecht, maar dat merk ik dan later wel.”

De werkelijkheid heeft de feiten uit dat verhaal overigens al ingehaald. De Boer woont nu in New York, vanwege de internationale baan van zijn vrouw Sabrina. Toen hun dochter geboren werd, beperkte zijn schrijftijd zich tot de dutjes van zijn dochter – vandaar dat hij na twee romans koos om zich weer aan korte verhalen te wijden. Inmiddels gaat de dochter naar de crèche en vult hij zijn dagen met schrijven en lezen. „Een luxeleven, ja. Niet zo interessant om over te schrijven.”

Dat de schrijver wel zeer aanwezig is in De geur van miljoenen kun je aflezen aan de hechte eenheid die de twaalf verhalen vormen. Variërend in taalregisters, personages en aanpak, maar wel vaak terugkerend bij dezelfde thema’s. De grootste constante is de stilistische beheersing van De Boer – de situaties die hij schetst lijken alledaags, tot er bijna ongemerkt iets verschuift in de toon, of een ongewoon detail opduikt. Even ontregelt De Boer je. En die ontregeling schroeft hij op met merkwaardige namen, bizarre taferelen, absurditeiten. De geur van miljoenen zou best wel eens het grappigste boek van het jaar kunnen blijken. En dat doet niets af aan de ernst van het vlijmende ongemak in de verhalen.

Je wilt je personages levensecht maken én maakt graag gebruik van slapstick-uitvergrotingen – dat lijkt tegenstrijdig. Hoe werkt dat?

„Ik vind mensen pas interessant als ze een beetje merkwaardig zijn. Normaal is dodelijk saai en realistisch moet het niet worden. Ik hou heel erg van Gogol, die veel gebruikmaakt van overdrijvingen en volkomen overbodige details die het werk juist zo goed maken. In zijn verhaal ‘De jas’ draagt iemand een vieze jas waaraan dingen blijven hangen die mensen uit het raam gooien – ‘zoals meloenschillen’, staat er dan. Dat maakt het prachtig. Wat ik ook fijn vind van Gogol is zijn montere verteltoon, zo probeer ik zelf ook te schrijven. In de Nederlandse literatuur gaat het er vaak wel heel serieus aan toe. Ik wil graag mijn lol in het schrijven overbrengen aan de lezer.”

Merijn de Boer. Foto: Annabel Oosteweeghel via Nicole Robbers

Die gaat zich dan ook afvragen hoe serieus het allemaal nog te nemen is.

„Dat is precies de bedoeling, dat vind ik het allerleukste. Kijken hoe ver je kunt gaan in het absurde, zodat het enigszins ongrijpbaar wordt en de lezer denkt: wat wil Merijn nu eigenlijk? Zit hij mij belachelijk te maken of de personages? Dat was ook mijn doel bij mijn twee romans: De nacht begint met een op het eerste gezicht normaal stel dat op vakantie gaat, en wordt absurdistisch, tragikomisch, het gaat alle kanten op. Met ’t Jagthuys wilde ik het tegenovergestelde: een idiote beginsituatie met bijna karikaturale personages, en die worden dan steeds menselijker en normaler. Zodat de lezer aan het eind denkt: hé, ik identificeer me nu met mensen die eerst heel ver van me af stonden.”

In ‘Een vaderfiguur’ laat je de hoofdpersoon een extreem vieze badkamer betreden: ‘Een bruinige tube tandpasta krulde zich doploos rond de kraan.’ Hoe krijg je zoiets geloofwaardig?

„Dat is balanceren tussen wat je nog net kunt maken en wat niet meer. Ik zorg na zo’n zin dat het snel weer normaal en ernstig wordt. Door af te wisselen kun je het je permitteren.”

Uiteindelijk is dat een tamelijk tragisch verhaal over een jongen die in een oude, alleenstaande man een vaderfiguur ziet, terwijl hij voor die man een beoogde minnaar is.

„Dat dat misverstand toch niets afdoet aan de belangrijke ervaring van die jongen, dat vond ik mooi en pijnlijk tegelijk. Met dit verhaal ontstond dit boek: ik werkte aan een roman en strandde. Het begin was er, maar het vervolg kreeg ik niet goed.”

Hoe kwam dat?

„Ik denk omdat ik zelf met het onderwerp vaderschap geworsteld heb. Misschien omdat ik zelf vader ben geworden. Ik begon ook ineens autobiografische stukken te schrijven, wat me ontzettend blokkeerde. Het idee kwam voort uit mijn fascinatie voor het type van de oude, alleenstaande intellectueel. Ik was eens met Sabrina bij zo’n man – een heerlijk rommelig huis, typisch de inrichting van een man alleen, met veel boeken en kunst. Hij deed enkel waar hij zelf zin in had, was in die zin volledig trouw aan zichzelf. Ik zei tegen Sabrina: ‘Dat wil ik later ook wel’. Wat zij niet leuk vond, want waar was zij in dat beeld?

„Pas later had ik door waar de fascinatie vandaan kwam: mijn ouders zijn vlak na mijn geboorte gescheiden en mijn vader ging in Amsterdam aan de gracht wonen, in een rommelig en charmant appartement vol boeken en lp’s. Als ik bij hem was, gingen we naar het schaakcafé of de bioscoop. Ik denk dat ik dat leven altijd heb geïdealiseerd, terwijl er natuurlijk ook een keerzijde is: dat hij alleen was.”

Lees ook de recensie van De geur van miljoenen: Ik ga eens fijn voor de gek houden

Over die spanning tussen burgerlijk leven en een alternatief daarvoor gaat ook je dubbelgangersverhaal. En misschien ook ‘Het cassettebandje’, waarin een oppervlakkige bankier terugdenkt aan een middelbareschoolvriendschap met een jongen die fanatiek van oude kunst en muziek houdt. Een tijd waarin die bankier ‘het dichtst bij zijn ziel had geleefd’.

„Ja, hij is nu losgeraakt van de cultuur – in dat opzicht is hij heel anders dan ik. Voor mij zijn cultuur en natuur de dingen die het leven de moeite waard maken.”

Die vriend, Jerry, deed me denken aan een nu bekende oud-schoolgenoot uit Haarlem van je, die ook nogal van klassieke muziek houdt. Die ook ongeveer Jerry heet.

„Oh, ik wilde dat eigenlijk niet naar buiten brengen… Maar, ja, het is wel een sleutelverhaal.”

Was je bevriend met Thierry Baudet?

„Ja, we zijn op school kort bevriend geweest. En hij bezorgde me heimelijk een cassettebandje op Sinterklaasavond, zoals in het verhaal. Maar ik wil niet de indruk geven dat dit over de huidige politicus gaat… Het is eerder een rustig portret van die vriendschap dan een afrekening.”

Zo las ik het ook niet: je schrijft hoe bankier Ype mijmert dat Jerry inmiddels misschien een PvdA-stemmende pianoleraar in Haarlem is. Dat gaf me het idee dat het verhaal gaat over alternatieve versies die er van mensen kunnen ontstaan, als de dingen anders lopen, als normen en verwachtingen minder rigide zijn.

„Ik zou zeggen dat de bundel gaat over het niet willen zien van een kant van jezelf. De tandarts in het eerste verhaal verdringt zijn homoseksuele kant. In het verhaal ‘Uit liefde voor Vestdijk’ heeft een man een obsessie met de boeken van Vestdijk om maar niet naar zichzelf te hoeven kijken. Je zou kunnen zeggen dat het in veel van de verhalen gaat over mensen die een deel van zichzelf zo rigoureus hebben afgezworen dat die weer om de hoek komt kijken.”

Foto: Annabel Oosteweeghel

Ik moest ook aan Thierry Baudet denken vanwege diens ideeën over mannelijkheid – de mannen in je verhalen houden er ook nogal seksistische normen op na.

„Die mannen maak ik flink belachelijk – net als de jongens die niet over gevoelens kunnen praten, die zijn lekker materiaal. Er hangt zoveel interessant ongemak om alfamannen heen, zoveel stijf, aangeleerd gedrag. Ik werd zelf behoorlijk naar van de seksistische ontknoping van het verhaal ‘Darren’, over mijn meest proleterige personage Milan van Mosselveld. Door dat wrange gevoel had ik het idee dat het einde goed was. Hij is een personage uit mijn roman De nacht, ik ben aan hem gehecht geraakt. Misschien vanuit diezelfde fascinatie voor alfamannen. Ik heb een vader grotendeels gemist in mijn jeugd en ben opgevoed door een moeder die het toonbeeld was van de sterke, zelfstandige vrouw. Ik denk dat ik daardoor altijd moeite heb gehad met alfamannen.”

Je zocht het wel op: je ging bij het corps.

„Maar dan bij een dispuut met allemaal zachtaardige en intellectuele jongens. Er was aantrekking en afstoting tegelijk.”

Het voelt alsof je in deze verhalen telkens alternatieve versies van jezelf hebt geschapen: de burgerlijke dubbelganger, die bankier, en daartegenover die alleenstaande bon-vivant.

„Ja… Voor mij voelt het alsof het organisch is ontstaan, ook omdat ik dus vooral bezig ben met stijl en techniek. Die bankier richtte zijn leven in onder druk van zijn elitaire milieu: hij deed wat zijn vader van hem verwachtte. Ik ben zelf nooit zo een kant op geduwd, mijn ouders stimuleerden mijn keuze voor de kunst juist. De jongen in ‘Een vaderfiguur’ doet een studie met gunstige carrièreperspectieven, maar hoort van de oude man dat die geen imposante carrière had, en begrijpt dat het hem in het leven om iets anders ging: ‘En misschien was dat wel simpelweg plezier in het leven.’ Dat is wel een belangrijk zinnetje.”

Dat weerspiegelt ook waar het jou als schrijver om gaat: plezier in het schrijven?

„Ja, dat is waar. Absoluut.”

Merijn de Boer: De geur van miljoenen. Querido, 205 blz. € 18,99

    • Thomas de Veen