Opinie

    • Hubert Smeets

Eigen atoomwapens eerst. Geldt dit ook voor Oekraïne?

Als het in Duitsland tot een serieus debat komt over een eigen kernbom, zal ook Oekraïne hierover gaan nadenken, voorspelt Hubert Smeets.

Duitse atoombommen? Waarom niet, opperde politicoloog Christian Hacke zondag. Met Trump in het Witte Huis kan de Bondsrepubliek niet meer vertrouwen op de Amerikaanse nucleaire paraplu. Zouden de Nederlandse communisten, die in de jaren zestig steeds alarm sloegen over het „West-Duitse revanchisme”, dan toch gelijk krijgen?

Nog niet. Hacke heeft weinig medestanders. Zo is Rudolf Adam, ex-chef bij de Bundesnachrichtendienst, bang voor een doos van Pandora als Berlijn zich onttrekt aan het non-proliferatieverdrag en het 2+4-herenigingsverdrag uit 1990. Waarom zou Polen – toch al sceptisch over het NAVO-principe ‘een aanval op één is een aanval op allen’ – dan van de bom blijven afzien? Ook Turkije zal een Duits precedent met argusogen volgen, aldus Adam.

Eén land komt in de rijtjes niet aan bod. Een kernmacht die zichzelf atomair heeft ontmachtigd. Een land dat met 42 miljoen zielen niet alleen in omvang tussen Polen en Turkije inzit, maar ook qua vijandig burengerucht: Oekraïne.

Lees ook: Vanwege Trump praat Duitsland over een eigen kernbom

Toen de Sovjet-Unie eind 1991 werd opgeheven, hadden Kazachstan, Oekraïne en Wit-Rusland ineens eigen kernwapenarsenalen. Het Wit-Russische staatshoofd Sjoesjkevitsj was er snel klaar mee, vertelde hij toen ik hem later sprak: „Neem ze mee en wees gelukkig”, had hij gezegd.

Kiev ging echter niet over één nacht ijs. In 1991 had Oekraïne, ex aequo met Kazachstan, het derde atoomarsenaal ter wereld. Er lagen meer kernkoppen dan in Frankrijk, Groot-Brittannië en China samen. Bij de Oekraïense presidentsverkiezingen van 1991 was kernontwapening daarom een campagnethema. Een voorstander van een nucleair Oekraïne, de nationalist Tsjornovil (1937-1999), verloor weliswaar van de communistische partijman Kravtsjoek. Maar daarmee was de zaak niet afgedaan. Pas in 1994 was het zover. In Boedapest ondertekende Oekraïne toen een memorandum, waarin het afstand deed van zijn atoomkoppen. In ruil zegden Rusland, Amerika en Engeland toe de soevereiniteit en grenzen van Oekraïne te respecteren. De drie (super)machten beloofden ook dat ze nooit wapens – militaire noch economische – zouden inzetten tegen de territoriale integriteit van Oekraïne. Alleen bij zelfverdediging was dat denkbaar.

Ondank is ’s werelds loon. Twintig jaar na Boedapest trokken Russische militairen de Krim en de Donbas binnen. Volgens Moskou was het na de omwenteling van maart 2014 in Kiev niet meer gebonden aan het Boedapest-memorandum. Sindsdien klinkt in Oekraïne de vraag: wat was dat ‘respect’ van die atoommachten waard?

Lees ook: Harvard-historicus Serhii Plokhy fileert in zijn boek de gedachte dat Oekraïne en Rusland samen één natie vormen.

Harde nationalisten weten het antwoord. Afspraken met Moskou „zijn het papier niet waard waarop ze zijn gemaakt”. Kortom: liever raketten dan preken. Deze redenering echoot de visie van de Israëlische krijgshistoricus Martin van Creveld, die ooit in De Groene Amsterdammer zei dat dé bom de wereld door zijn afschrikkende werking juist veiliger maakt.

De regering in Kiev denkt dat wellicht ook, maar zegt het nog niet. Ze beseft dat het idee alleen al Moskou in de kaart speelt. En ze weet dat een kernbom niet gratis is, al draait Oekraïne momenteel economisch net iets beter dan Rusland. Maar mocht het in Duitsland tot een serieuze discussie over nucleaire bewapening komen, dan is Oekraïne er als de kippen bij. Want in het huidige tijdperk-Trump/Poetin, waarin die enkele verdwaalde pacifist hooguit als archeologische curiositeit wordt gekoesterd, is nucleaire ontwapening uit de mode en kernbewapening juist weer hip.

Oost-Europa-expert Hubert Smeets werkt bij het kenniscentrum Raam op Rusland.

    • Hubert Smeets