‘Hedendaags extreem-rechts? Slimme jongens met een mediastudie’

Antisemitisme

Links- of rechtsom, Jodenhaat is weer volop aanwezig in de westerse samenleving. Zo blijkt uit twee boeken van Amerikaanse historici over dit onuitroeibare kwaad.

Foto Jack Taylor/Getty Images Een demonstrant met een ingelijste afbeelding van Labourleider Jeremy Corbyn tijdens een demonstratie tegen het antisemitisme binnen de Labour Party voor het Britse parlement op 26 maart 2018.

Josef Stalin zette kort na de Tweede Wereldoorlog de Joodse gemeenschap in de Sovjet-Unie weg als ‘wortelloze kosmopolieten’. Niet alleen zouden Joden een natuurlijke neiging tot samenzwering hebben, ook hoorden ze door hun etnische afkomst niet echt bij het land. In Rooted Cosmopolitans verdedigt de Amerikaanse historicus James Loeffler de stelling dat ook idealen vruchtbare aarde zijn om in te wortelen. Hij verweeft de levens van vijf beroemde Joden met elkaar: de jurist Hersch Lauterpacht (1897-1960), de zakenman Jacob Blaustein (1892-1970), de rabbijn Maurice Perlzweig (1896-1985), de jurist Jacob Robinson (1889-1977) en de politicus Peter Benenson (1921-2005).

De eerste vier intellectuelen speelden voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog een cruciale rol bij de intellectuele en juridische vormgeving van het internationaal recht en de mensenrechten. Benenson was sterk begaan met hetzelfde thema, maar werd beroemd als oprichter van Amnesty International. Inmiddels ingeburgerde begrippen als ‘misdaden tegen de menselijkheid’ of ‘gewetensgevangenen’ komen uit zijn koker. Het internationaal recht als discipline, de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, de mensenrechtenpoot van de Verenigde Naties, de sterke aanwezigheid van de mensenrechten in het Amerikaanse buitenlandse beleid, het hele liberale naoorlogse bouwwerk had er volgens Loeffler anders uitgezien zonder de lobby van ondernemer Blaustein of het schrijfwerk van de juristen Robinson en Lauterpacht.

Gutmenschen

Rooted Cosmopolitans is een intrigerend boek. Het vertelt hoe Joden aan het begin van de twintigste eeuw hun best deden om met een beroep op universele vrijheden minderheidsrechten te krijgen in Duitsland, Polen en de rest van nationalistisch Oost-Europa, en hoe dat streven wat hen betreft zonder al te veel moeite samenviel met de pogingen om ook een eigen Joodse staat te krijgen. De betrokkenen zagen natuurlijk het verschil tussen universele mensenrechten en zionisme, maar beschouwden dat als niet zo problematisch. Ze beleden het soort idealisme dat in deze tijd weggehoond zou worden en waren dan ook echte Gutmenschen. Alle ironie die daarin schuilt is allang vervlogen: zeker de huidige Israëlische regering legt een etnisch nationalisme aan de dag waar populisten als Geert Wilders of Marine Le Pen alleen van durven dromen.

In geen enkel ander land zullen de rechten van minderheden zo effectief beschermd worden, sprak de Britse zionist en rabbijn Maurice Perlzweig hoopvol in 1948. Nergens wist de bevolking zo scherp wat vervolging was en geen enkel ander land had zo’n progressieve grondwet. ‘Het wordt een keerpunt in de geschiedenis van de constitutionele wetgeving’, zei Perlzweig. Allicht dat hij dat hoopte.

Officieel moppert men altijd alleen op de staat. Maar Jodenhaat lijkt nooit ver weg wanneer je naar de informele terzijdes luistert.

Direct na de Tweede Wereldoorlog was het antisemitisme van het establishment bepaald niet verdwenen. Oliemagnaat Jacob Blaustein spande zich sterk in om het pleidooi voor mensenrechten in 1945 in het oprichtingsverdrag van de Verenigde Naties te krijgen. Maar de delegatieleider van de Amerikanen beleed publiekelijk zijn afkeer van zwarten en Joden. Blaustein haalde hem achter gesloten deuren over de streep met het argument dat bij mensenrechten de focus ligt op individuele vrijheid en dat dit zowel de Sovjet-Unie als het zionisme in de wielen zou rijden. De VS gingen akkoord – en of Blaustein maar weg wilde blijven bij de persconferentie, zijn aanwezigheid zou andere landen kopschuw maken.

Lees ook dit opiniestuk van Ian Buruma: Antisemitisme is geen rechtse ziekte meer

Neem professor Lauterpacht maar niet als vertegenwoordiger, adviseerde een Britse topambtenaar in 1946. Lauterpacht was zonder twijfel een heel groot jurist, maar geboren in Oekraïne en afkomstig uit Wenen. Spreken namens de Britse koning kon daarentegen alleen een ‘erg Engelse Engelsman, levenslang en door overgeërfde eigenschappen doortrokken van de echte betekenis van de mensenrechten zoals we die in dit land begrijpen’. Ook de Britten hielden van wortels.

Loeffler voert Peter Benenson op om te illustreren hoe de mensenrechten als ideaal en de staat Israël uit elkaar groeiden. Benenson is een Britse telg uit een rijk Russisch-Joods immigrantengeslacht en een gesjeesd Labourpoliticus wanneer hij Amnesty International opricht, zoals bekend inmiddels een van de grootste ngo’s ter wereld. Benenson vroeg begin jaren zestig advies aan zijn vroegere mentor Perlzweig. De humanitaire idealen van de Verenigde Naties waren door de strijd tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie op de achtergrond geraakt. Bevrijdingsbewegingen van links en rechts martelden er op los. Benenson dacht dat het aan het daglicht blootstellen van hun wandaden meer voor de onderdrukten zou betekenen dan onderhandelingen: publiciteit, geen politiek. Doen, zei Perlzweig: elke poging tot vernieuwing is goed.

Obsessie met Israël

Het werd een groot succes, dat een onverwachte wending kreeg. Met een brief op de bus deed je vanachter de keukentafel een goede daad, zonder je te encanailleren met politiek. Maar Loeffler vertelt hoe het ietwat dromerige mensenrechtendiscours van begin jaren vijftig via het Amnesty International van Benenson en de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties twintig jaar later vorm krijgt als middel om juist Israël aan te klagen. Dat Israël eigenlijk ‘fouter’ is dan alle andere landen houdt allerlei idealisten sindsdien bezig, met de huidige boycotbeweging BDS (Boycott, Divestment, Sanctions red.) als recent voorbeeld. Officieel moppert men altijd alleen op de staat. Maar Jodenhaat lijkt nooit ver weg wanneer je naar de informele terzijdes luistert.

Hedendaags extreem-rechts bestaat uit slimme jongens die een mediastudie hebben gevolgd.

In (((Semitism))) laat New York Times-journalist Jonathan Weisman zien hoe extreem-rechts in Amerika via sociale media linkse mensen en vooral linkse Joden verkettert. In 2016 retweet iemand zijn naam, zo: (((Hello, Weisman))). Het betreft een inmiddels onmogelijk gemaakt trucje om via internetzoekmachines Joden op te sporen teneinde hen af te kunnen fakkelen. Binnen de kortst mogelijke tijd komt Weisman onder vuur te liggen van horden trollen. Hij gaat geen confrontatie met de twitteraars uit de weg, vraagt telkens wat ze eigenlijk bedoelen, vraagt politici te reageren en treitert zelf opgewekt terug waar hij kan.

Het heeft een heel leesbaar en in twee opzichten belangrijk boek opgeleverd. Weisman laat zien dat extreem-rechts niet meer de Ku Klux Klan is: mannen met brandende kruisen voor hun bierbuik. Hedendaags extreem-rechts bestaat uit slimme jongens die een mediastudie hebben gevolgd. Ze bombarderen iemand tot vijand en vallen hem of haar vervolgens massaal aan, via twitter, facebook en e-mail. Ze verschuilen zich achter ironie zodra opmerkingen over gaskamers het daglicht bereiken. ‘Het is een grapje en wie niet tegen een grapje kan is geen patriot.’

The Daily Stürmer

Weisman onderstreept echter dat het echte gevaar schuilt in gewenning. The Daily Stürmer en vergelijkbare media zien, soms tot hun eigen verbazing, dat hun publieke demonstraties ‘voor witte dominantie’ of hun tweets uit Mein Kampf opduiken in de gewone media. En vooral zien ze dat president Donald Trump alle gelegenheid krijgt om zich van deze mensen af te keren en dat keer op keer bewust niet doet.

Acht NRC-correspondenten beschrijven hoe antisemitisme zich manifesteert in hun land. Lees ook: Antisemitisme in Europa: een veelkoppig monster

Weisman schreef een pamflet, geen analyse. Hij negeert dat het samenballen van geschonden rechten van Palestijnen, financiële instellingen en repetitieve domheden over de Holocaust tot een gifmengsel om Joden mee lastig te vallen, niet voorbehouden is aan extreem-rechts. Van Ferdinand Domela Nieuwenhuis tot George Orwell heeft links altijd antisemitische geluiden meegetoeterd. Veel van de trollenretoriek kun je ook horen in het Labour van Jeremy Corbyn of aan de randen van links in Nederland.

Weisman gaat verder nagenoeg voorbij aan twitter als fenomeen, hoewel zijn boek wel rond het medium draait. Twitter doet op zijn minst naar de vorm een beetje aan Amnesty International denken. Je kunt er immers ook makkelijk individuele meningen mee uitdragen, zonder je verder politiek te committeren. Wat zijn de effecten nou precies, en zou het niet beter zijn de extremen te negeren in plaats van te belonen met aandacht?

Beide boeken zijn in Nederland relevant tegen de achtergrond van een defaitistische tijdgeest. Veel maatschappelijke ambities heten hier ‘mislukt’. Bij links leeft dus het idee dat het ooit veelbelovende Israël mislukt is, net als de verzorgingsstaat en nog wat idealen. Bij rechts, overigens ook in Israël, leeft het idee dat de mensenrechten, de Europese Unie, het Vluchtelingenverdrag en natuurlijk de multiculturele samenleving mislukt zijn. Die negatieve toonsoort levert uiterst onzeker klinkende verhalen op over vaderlandsliefde en patriottisme – beleidsmatig gebibber over culturele eenheid, waarvan nooit duidelijk is wie er beter van wordt. De onzin die minister van Buitenlandse Zaken Stef Blok onlangs informeel uitsloeg is maar het meest recente voorbeeld van een lange rij door Poetin, Trump, Wilders en Baudet geknakte ruggengraatjes.

Hannah Arendt

Lees ook: Wat te verwachten van vier jaar Trump? Hannah Arendt voorspelt

Weisman laat zien dat antisemitisme geen probleem van moslims is en dat meedeinen met mensen die hun etniciteit boven alles stellen spelen met vuur is. Extreem-rechts wil niet meer geld of meer onderwijs voor de eigen kinderen, extreem-rechts heeft geen politiek. Extreem-rechts wil minder – soms Joden, dan weer vrouwen, dan weer moslims. Als zij van hun land houden, is het misschien verstandig van patriottisme geen prioriteit te maken.

Loeffler laat zien dat beschaving organisatie vraagt. De mannen die hij op toneel brengt ploegden geen diepe sporen door de cultuur, op zoek naar de verloren schat van hun nationale identiteit. Ze stuurden permanent op onderhandelingen, verdragen, conferenties, overleg, en wetten. Dat zijn onbevredigende handelingen voor nationalistische fanatiekelingen of lange halen snel thuis-moralisten. Succes is ook niet gegarandeerd. Maar het is een praktijk die ten onrechte bezoedeld is geraakt door populisme van links en rechts.

Tegen het eind van zijn boek voert Loeffler even de filosofe Hannah Arendt op. Arendt was kritisch jegens het particuliere zionisme én de universele mensenrechten, omdat ze burgerrechten hoger aansloeg. Loefller weet dus eigenlijk niet zo goed raad met haar. Niet in haar eerste sneer gestikt, schrijft Arendt aan een bevriende intellectueel die zich beklaagt over haar gebrek aan liefde voor Israël: ‘Ik heb nooit in mijn leven “gehouden” van een volk of een collectief, noch van de Duitsers, noch van de Fransen, noch van de Amerikanen, noch van de arbeidersklasse of zoiets. Ik hou inderdaad “alleen” van mijn vrienden en de enige soort liefde die ik ken en waar ik in geloof is de liefde voor personen’. En waar de liefde ophoudt, daar neemt de beschaving het idealiter over.

    • Menno Hurenkamp