Jakob (links) en Hugo de Jonge op het ministerie van Volksgezondheid in Den Haag.

Foto Roger Cremers

Kunst in de kamer van minister De Jonge: zijn het vogels of vluchtelingen?

Kunst en politiek Op de kamer van minister Hugo de Jonge op het ministerie van Volksgezondheid in Den Haag hangen vier schilderijen gemaakt door zijn broer Jakob. Voor het eerst spreken ze samen over de betekenis van de werken.

Minister Hugo de Jonge heeft in zijn kamer op het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport vier schilderijen hangen, aan elke muur één. Hij heeft ze in bruikleen, ze zijn gemaakt door zijn vier jaar jongere broer, Jakob (36). Eerder, toen hij nog wethouder was in Rotterdam, had hij er één in zijn werkkamer hangen: The God Machine. Op het stadhuis was niet zoveel ruimte als hier: de kamer was kleiner en de muren hadden antieke lambrizeringen.

Ze hebben de schilderijen vorig jaar samen uitgezocht, in Jakobs atelier in Den Haag. Als de deur van de werkkamer opengaat is The Birds het eerste schilderij dat je ziet: „Báf, in your face”, zoals de minister het verwoordt. Het is het grootste van de vier werken: pakweg tweeëneenhalve meter breed en anderhalve meter hoog.

Meteen links van de deur, boven de bank van een zithoekje: Shadows, het schilderij met de twee torens. Dat is ook groot, maar minder enorm. Op de bank van het zithoekje, met zicht op The Birds, zitten ze naast elkaar tijdens het interview, de minister duidelijk gewend om door te praten, zijn broer bedachtzamer. Schuin tegenover hen, tussen de ramen: Fog, het stadsgezicht dat Hugo de Jonge „doet denken aan Rotterdam”. Daartegenover The God Machine, dat is meegekomen uit het stadhuis.

Mijn broer houdt de politiek een kritische spiegel voor

Hugo de Jonge

De vier schilderijen zijn de aanleiding voor dit dubbelinterview. „Maakt het verschil als gesprekken en vergaderingen plaatsvinden in een ministerskamer met dit soort kleurige, maar tegelijk tot nadenken uitnodigende werken?”, was de vraag in het interviewverzoek aan Hugo de Jonge. Met toegevoegd in de mail een paar citaten uit een voorgesprek met zijn broer. Zoals: „Als de wereld naar in elkaar zit, dan kunnen mijn schilderijen daar niet fluitend omheen. Mijn werk is steeds een botsing tussen hoe ik zou willen dat de wereld is, met hoe die echt is.” En: „Ik geloof heel erg in de verantwoordelijkheid van de kunstenaar om geen negativiteit te kopiëren – en daarmee verder te verspreiden.”

Jakob (links) en Hugo de Jonge op het ministerie van Volksgezondheid in Den Haag. Foto Roger Cremers

Verschillende associaties

Ja, het maakt verschil, zegt Hugo de Jonge wanneer ze na een rondgang langs de schilderijen zijn gaan zitten onder Shadows. Hugo de Jonge: „Ik kan niet zeggen of de schilderijen een of ander politiek besluit ten positieve hebben beïnvloed. Dan ga je me om een voorbeeld vragen en dat heb ik niet bij de hand. Maar het is absoluut zo dat iedereen die hier binnenkomt er opmerkingen over maakt, ze geven aanleiding tot allerlei verschillende associaties.” Jakob: „Ze breken ook het ijs, denk ik.” Hugo: „Ja, absoluut. En ik vind het interessant wat je zei over de botsing tussen hoe de wereld is, met hoe die zou kunnen worden. Daar draait het ook om in de politiek.”

Hij vertelt hoe juist in deze kamer elke maandagmorgen premier Rutte, de drie vicepremiers, van wie hij er namens het CDA één is, en de fractieleiders van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie samenkomen. Hugo de Jonge: „Onder Paars had je Torentjesoverleg, maar dat bestaat niet meer. In plaats daarvan houden we nu coalitieoverleg op de kamer van een van de vicepremiers. Dus toen hier die schilderijen kwamen te hangen, kreeg je allemaal opmerkingen in de trant van: wat zien we hier wel niet. Met alle associaties van dien, bijvoorbeeld of The Birds nou een vrolijk schilderij is of juist een beetje sinister.”

Geen rebus

Voor hen beiden is het een novum: Jakob heeft de schilderijen niet eerder zien hangen in de kamer van Hugo. En Hugo heeft Jakob nooit gevraagd naar de betekenis ervan. Althans, Hugo de Jonge: „Jakob en ik hebben het wel eens over wat ik zie in zijn schilderijen, maar dan ontkent hij altijd dat die of die associatie van mij klopt. Hij verklapt eigenlijk nooit wat, als ik ernaar vraag zegt hij: het is geen rebus.” Jakob: „Als ik een schilderij uit zou leggen, lijkt het de oplossing van een raadsel: ah, nou snap ik het. Maar het is juist goed als een schilderij vragen oproept. Ik heb een aanleiding nodig om te schilderen, een reden waarom ik iets maak. Maar als het af is ben ik er ook klaar mee. Dan heb ik er iets in gelegd wat je kunt zien, maar het hoeft niet: ik wil mijn boodschap niet opdringen.”

Wat Jakob volgens Hugo wél een keer verklapte: „Dat op de voorste toren van The Shadows het huis staat waar wij als kinderen opgroeiden.” Jakob, wijzend naar het linkerbovenhoekje op het dak van die toren, waar een paar huizen staan afgebeeld uit het Zeeuwse dorp Zaamslag: „Ja dat klopt, het is dat huis daar. En daar is de garage, zie je? Daarnaast was de slaapkamer van onze oudste broer. En hier woonde een vriendinnetje van mij, waar ik nog steeds bevriend mee ben.” Hugo: „Eefje.” Jakob: „Eefje, ja.” Hugo: „Omdat je de zoon van de dominee was, werd er in het dorp nogal op je gelet. Had je wat uitgespookt, dan was het van: Moa joe ken ik wèh, jie bint ’r êên van d’n dômenie. En dan was je nog niet thuis of dan had mijn vader al een telefoontje gehad.”

Hugo en Jakob de Jonge komen uit een gezin van vijf kinderen, drie jongens en twee meisjes. Hugo is de op één na oudste, Jakob nummer vier. Hun vader was dominee, hun moeder verpleegster, toen er kinderen kwamen bleef ze thuis om voor ze te zorgen. Hugo begon zijn loopbaan als basisschoolleraar in een Rotterdamse achterstandswijk, om daarna de politiek in te gaan. Jakob studeerde theologie, koos vervolgens voor werken met vluchtelingen en, na een avondopleiding op de kunstacademie, het maken van schilderijen. Hij is oprichter en directeur van The Hague Peace Projects, een organisatie die zich hard maakt voor informatie-overdracht over conflictgebieden.

Optimisme

Allebei, vinden ze, hebben ze een hang naar optimisme en proberen ze, elk op hun eigen manier, dingen ten goede te veranderen. Jakob de Jonge: „De beroepen die in onze familie worden gewaardeerd zijn sociaal-maatschappelijke: leraar, verpleegster.” Hugo de Jonge: „Zin geven aan je leven, iets betekenen voor anderen: dat was de grondtaal van onze opvoeding.” Jakob: „Met de kunstacademie wilde ik het ook eens over een andere boeg gooien: me opsluiten in een mooie wereld die ik zelf kon maken. Maar het klopte niet, als je dat doet heb je geen recht van spreken meer over hoe het beter kan.” Hugo: „Het is een beetje Robert Kennedy hè: Some people see things as they are and say: why. I dream things that never were and say: why not.” Jakob: „Why not, dat is een hele goeie ja. Waarom klopt het niet gewoon, waarom gebeurt er zoveel ellendigs: dat is de morele vraag in mijn werk.”

Is kunst voor hem dan synoniem met politiek? Jakob: „Ik voel me enorm aangesproken door de onderwerpen van de politiek: verandering, verbetering. Maar veel politieke besluiten komen tot stand na druk uit de maatschappij – en ik denk dat ik daar toch beter op mijn plaats ben.” Hugo: „Mijn broer houdt de politiek een kritische spiegel voor, ik geloof niet dat een partij het in zijn ogen gauw goed doet. Eerlijk gezegd denk ik ook niet dat hij geneigd is op mij te stemmen, haha.” Maakt het voor hem verschil nu de oorspronkelijke betekenis van de schilderijen duidelijk is geworden? Hugo de Jonge: „Zeker – het mooiste vind ik dat wij vanuit dezelfde overtuiging ons werk doen: verschil willen maken, je niet neerleggen bij de dingen zoals ze zijn.”

    • Gretha Pama