Kiri de reiger komt altijd

Vogel

Al vijftien jaar lang krijgt Alberdina Diepbrink drie keer per dag bezoek van dezelfde reiger. Hij eet stukjes kip en ‘kijkt’ tv. „Hij wordt toch een onderdeel van je leven.”

Kiri de reiger komt meerdere keren per dag bij Alberdina Diepbrink en haar man over de vloer. Hij krijgt kippennekjes gevoerd. „Knakworst vindt hij ook lekker.” Foto’s Julie Hrudova

In een tussenwoning in de Bijlmermeer in Amsterdam zit de 74-jarige Alberdina Diepbrink, roepnaam Diny, op haar donkerblauwe leren bank. „Kiri is van slag door de hitte”, zegt ze. „Hij komt nog wel binnen, maar niet meer op z’n gemak, zoals je hem kent.” Diepbrink vult ratelend de stilte, haar witblonde haar krult over haar schouders. Naast haar zitten man Cedo Radakovic (66) en dochter Ruby van der Helm (46).

Ze wachten op een vogel. Een reiger. Je zou hem hun huisdier kunnen noemen: drie keer per dag komt hij bij de familie over de vloer. Hij wandelt de woonkamer in, eet stukjes kip en kijkt af en toe tv mee.

Als Gerard Joling begint te lachen, schrikt hij, en gaat-ie weg

Kiri hebben ze hem genoemd, een onomatopee, naar het geluid dat hij maakt. „Kiri houdt vooral van voetbal”, zegt Van der Helm. „Als Gerard Joling begint te lachen, schrikt hij, en gaat hij weg.”

Kiri heeft een eigen afdeling in de koelkast. Met gemak eet hij een halve kilo ‘strotjes’, kippennekjes, per dag.

„Hij zat opeens op het hek”, vertelt Diepbrink. „Ik dacht: wat een lelijk beest. Hij bleef een tijdje zitten, ik gaf hem een stuk leverworst.” De volgende dag zat het dier er weer. Leverworst werd kip, en vijftien jaar later komt Kiri nog steeds iedere ochtend, middag en avond. „Knakworst vindt hij ook lekker”, zegt Radakovic. „Leverworst laat hij nu liggen. Dat plakt in zijn snavel.”

Een vriendschap met een reiger? Of is hier iets anders aan de hand?

Kopieergedrag

De reiger is een opportunistisch dier, zegt documentairemaker Marc van Fucht. Hij volgt de vogelsoort in Amsterdam al sinds 1995. Hij bezocht ook Kiri. „Opportunisme is typerend voor deze vogelfamilie, de Ardea, maar zo opportunistisch als deze heb ik ze nog nooit gezien.”

Van Fucht werkte elf jaar aan zijn documentaire Schoffies (2006), waarin hij verschillende Amsterdamse reigers portretteert. In die documentaire is ook een reiger te zien die zichzelf heeft geleerd om op een balkon driehoog te landen en dan de keuken in te lopen om gevoerd te worden.

Lange tijd dacht Van Fucht dat dit gedrag een Amsterdams fenomeen was. „Maar dat is helemaal niet zo, in andere steden doen reigers precies hetzelfde.” Hij kreeg zelfs mails uit het buitenland. „Daar doen ze exact zo. Iemand in Israël had een viskwekerij, die kon ze letterlijk wel schieten.”

Reigers kopiëren dit gedrag van elkaar, zag Van Fucht. „Er was een reiger die naar binnen liep bij de oude Febo-snackbar bij het Olympisch Stadion. Een keer kwam hij zelfs met zijn snavel vast te zitten in de automatiek.” Van Fucht maakte een foto en wilde de vogel portretteren in een documentaire. „Precies op de dag dat ik zou komen filmen werd hij doodgereden door een bus. Ik balen, maar wat denk je? Er kwam de volgende dag gewoon een andere reiger.”

Lees ook: Het is een grote opportunist en het vliegt. De grote zilverreiger is niet langer een zeldzaamheid..

„Er is eigenlijk geen dag dat hij niet komt”, zegt Alberdina Diepbrink in haar woonkamer. Ze wachten nog steeds. „In totaal misschien tien dagen per jaar. Dan maak ik me wel zorgen, over de snelweg, enzo. Hij wordt toch een onderdeel van je leven.”

Andersom is dat ook zo. Toen Diepbrink vanwege een hartoperatie in het ziekenhuis lag, wilde Kiri niet meer eten. „Hij liep de hele dag heen en weer”, vertelt Van der Helm. Toen Diepbrink weer thuis was en voor het eerst een stukje ging fietsen, vloog de reiger met haar mee. „Dat is de enige keer dat hij dat deed. Hij was bang dat ik weer weg zou gaan, denk ik. Boven heb ik een naaikamertje dat uitkijkt op de straat aan de andere kant van het huis. Als ik daar zit, vliegt hij hier vanuit de tuin het huis over en gaat hij vanaf de lantaarnpaal naar binnen zitten loeren.”

Asociale dieren

Reigers zijn eigenlijk heel asociale dieren, zegt Remco Daalder, stadsecoloog van Amsterdam. „Ze hebben weinig met soortgenoten. Kijk maar naar de reigers op de Albert Cuyp, die vechten altijd met elkaar.” Aan de andere kant kunnen reigers wel heel goed mensen herkennen. „Die reiger kent die mevrouw absoluut.”

Maar: voor de gezelligheid komt hij waarschijnlijk niet. Aannemelijker is het dat Kiri vooral op eten is gericht, zegt Daalder. „Al kan dit natuurlijk net die ene reiger zijn die zich wél aan mensen hecht.” Dat zou kunnen als hij bijvoorbeeld als jong gewond is geraakt en door mensen is verzorgd. „Dan ziet hij mensen als soortgenoten. Ik heb dat nog nooit gehoord, maar het zou kunnen.”

Nog steeds geen teken van de reiger. „Het blijft een wild dier, maar meestal komt hij rond negen uur.” Van der Helm laat foto’s zien die ze heeft geplaatst op Kiri’s Instagram-pagina kiri_the_heron, die ze sinds december bijhoudt. Kiri op de parasol, Kiri kijkt het WK, en zijn vriendin, de vrouwelijke reiger Kira. „Kiri komt wel”, zegt Diepbrink. „Hij komt altijd.”

Diepbrink heeft haar hele leven al een bijzondere band met dieren, zegt ze. Dat heeft ze van haar moeder.

Toen Diepbrink vanwege een hartoperatie in het ziekenhuis lag, wilde Kiri niet meer eten

„Oma was altijd bezig met de vogels in de boom in de tuin,” zegt Van der Helm. „Alle dieren moesten los, zelfs de konijnen hadden speeluur.” Die eigenschap werd doorgegeven. Zo vond ze ooit een varkentje langs de weg in Spanje, en nam het mee naar het appartement waar ze met haar dochter woonde. „Hij had 48 uur lichaamswarmte nodig, zei de dierenarts. Toen moest Ruby twee dagen met hem in bed liggen.”

Half tien. Van der Helm duwt nog wat tabak in haar sigarettenmaker. Om en om zijn ze al de tuin in gelopen, om naar de lucht te turen, de horizon afspeurend naar de vogel.

„O! Daar issie!” Diepbrink schiet overeind uit haar fauteuil. En inderdaad, op het dak aan de andere kant van de sloot, daar staat hij.

Van der Helm loopt naar de deuropening, maakt lokgeluidjes. „Kom, kom dan!” Daarna Diepbrink. „Kiiiiri, Kiiiiri!” Diepbrink schuifelt naar de ijskast, pakt een doos met in aluminium ingepakte stukjes kip. Gedrieën kijken ze naar de vogel, die neerstrijkt op het tuinhek, vlakbij de achterdeur.

Deurmat

Diepbrink gooit strotjes op de deurmat die als Kiri’s bord fungeert. Langzaam steekt de reiger statig zijn poot naar binnen. Poot voor poot beweegt hij zich voort, en dan: hap! Razendsnel vliegt hij naar de vijver. „Dan gaat hij het stukje wassen, god mag weten waarom”, zegt Van der Helm.

Nog één keer komt Kiri terug, om weer langzaam naar binnen te lopen en plotseling een strotje van de mat te snaaien. „Normaal blijft hij wel langer”, verzucht Van der Helm.

Diepbrink is inmiddels aan een volgend adembenemend verhaal begonnen, over een hond die haar beschermde toen ze ’s nachts na haar werk in de horeca door Amsterdam liep. Van der Helm komt terug uit de tuin. De vogel is gevlogen.

    • Charlotte Bouwman