“Aardbeien kweken is geen hobby. Het is hogere wiskunde”

Aardbeienteelt Wie betere aardbeien wil telen, richt zicht tot Nederlandse technieken, of de Nederlandse Jan Robben (60). Zijn bijnaam: de aardbeiendokter. „Soms zie ik aan het kroontje al hoe het met de vrucht is gesteld.”

Jan Robben bestudeert de bladeren on te kijken of er insecten tussen lopen die er niet thuishoren. Foto’s Benedikt Ziegler

Halverwege een lange asfaltweg in Nedersaksen, zo’n zestig kilometer onder Bremen, staat de aardbeienkwekerij Erdbeerhof Osterloh. Rondom het hart van het bedrijf, een groene schuur nabij het Duitse buurtschap Halter, ligt zo’n 230 hectare aan aardbeienvelden en folietunnels, versnipperd langs drukke autowegen en een enkel eenzaam huis.

Het is zomer, af en toe draait een tractor het terrein nabij de groene schuur op. Binnen, aan een lange tafel, zit een Nederlander. Hij draagt een geruite blouse, onder zijn nagels plakt opgedroogde aarde. Voor hem ligt een zak grondstof – een potgrondmengsel waarin de aardbeienplant groeit. Aan een werknemer van Osterloh vertelt hij het exacte percentage natriumgehalte van de aarde.

De Nederlander heet Jan Robben (60), zijn bijnaam: de aardbeiendokter. De voormalige aardbeienkweker uit Oirschot is een autoriteit op het gebied van aardbeienteelt: hij weet hoe hij de plantjes moet laten groeien om de perfecte vrucht te krijgen.

„Aardbeien kweken is geen hobby”, zegt de aardbeiendokter. „Het is hogere wiskunde.”

Advies aan boeren

Robben geeft advies aan aardbeienbedrijven over heel de wereld: zo zat hij een tijdje in Armenië, China en India – binnenkort staan Vietnam en Colombia op het programma. Maar het gros van zijn tijd, zo’n 80 procent, spendeert hij sinds 2015 op het bedrijf in Nedersaksen, één van de grootsten in Duitsland. „Het bedrijf huurt mij in als zelfstandige. Ik mag mijn eigen dag indelen en rapporteer mijn bevindingen aan de eigenaar, Ulrich Osterloh.” Ook heeft hij tijd voor advieswerk elders in Europa, zo hielp Robben vorige week nog een aardbeienboer in Oost-Duitsland die vragen had.

Robben schenkt oploskoffie in een mok waarop getekende aardbeien met afstudeerhoeden staan afgebeeld. Gisteren had hij een afscheidsfeest van een aantal seizoenarbeiders die terug naar Polen gaan.

Nu praat Robben voluit over de rode vruchten. Zo zegt hij dat dé volmaakte aardbei niet bestaat, overal ter wereld willen ze een andere aardbei hebben. „In Nederland houden ze van grote, mooie aardbeien, terwijl het in Duitsland niet uitmaakt dat ze wat kleiner zijn en onregelmatige vormen hebben. Ze mogen vooral niet veel kosten. In China is een aardbei dan weer te vergelijken met een bonbon, een delicatesse.”

Robben deed de middelbare tuinbouwschool in Breda, in 1983 begon hij zelf een aardbeienkwekerij in het Brabantse Oirschot. Daar kweekte hij ‘smaakaardbeien’, een term die hij zelf bedacht. „Het zijn gekruiste aardbeien die een speciale, bijzondere smaak hebben.” Om promotie te maken reed hij met een tractor het Museumplein in Amsterdam op.

Voorbeeldrol

Eind jaren negentig gingen milieuorganisaties strengere eisen stellen aan de land- en tuinbouw. Robben zat op dat moment in de aardbeiencommissie van de Land- en Tuinbouworganisatie (LTO). Hij schakelde over op het gebruik van chemische naar natuurlijke bestrijdingsmiddelen. Zijn boerderij werd een voorbeeldboerderij voor andere aardbeienkwekers – toenmalig minister van Landbouw Laurens Jan Brinkhorst (D66) kwam er kijken.

Toen in 2000 een hagelbui zijn oogst vernietigde, en hij onder zijn kinderen geen opvolger kon vinden, stopte hij met zijn bedrijf. Robben schreef een boek: Liefde voor Aardbeien – en zo werd hij een expert op aardbeiengebied. „Soms denk ik: was ik dit advieswerk maar gelijk gaan doen. Aan de andere kant was ik hier zonder al die jaren ervaring nooit gekomen.”

We stappen in Robbens dienstauto. Hij wijst naar een fiets, die iets verderop staat. „Soms fiets ik, maar het bedrijf heeft zoveel grond. Als ik een dag intensief planten heb gecontroleerd, staat er vaak zo’n 170 kilometer op de teller.”

Na een tijdje verschijnen open velden met lage groene planten – met de bloemen waaruit uiteindelijk de aardbeien zullen ontstaan. „Mensen denken vaak dat de aardbei een typisch Hollands product is,” zegt hij. „Maar eigenlijk beslaat de Nederlandse aardbeienproductie slechts 5 procent van de Europese markt. Wereldwijd is dat 1 procent.” In 2016 produceerde Nederland 57,5 miljoen kilo aardbeien, waarvan ongeveer 32 miljoen voor de export.

De voormalige kweker kent het terrein goed. „63 hectare aan de ene kant, 36 hectare aan de andere. Zulke grote velden zal je in Nederland niet vinden.” Elke dag controleert Robben hier of de planten goed groeien, dat er geen schimmel of insecten tussenkomen. Het is precisiewerk. „Dat kan ik maar maximaal een halve dag doen, anders verlies ik mijn focus.”

Gestresste aardbei

We stoppen bij een van de folietunnels. Robben opent een schuifdeur. Met een loep bestudeert hij de bladeren, kijkt of er insecten tussen lopen die er niet thuishoren. Waar hij bepaalde beestjes vindt, zet hij weer andere beestjes terug die de vijanden van de aardbeienplant opeten. „Die beestjes, die komen uit Nederland”, zegt hij. „Nederland loopt voorop in de tuinbouw en met nieuwe technieken, en exporteert die naar andere gebieden.” De plantenbakken hier, het systeem waarmee de aardbeien automatisch van water en voedingsstoffen worden voorzien: ook die komen uit Nederland.

Dan snijdt Robben een aardbei af en proeft. Door het eten van een aardbei weet hij al of het plantje stress heeft gehad. Dan hebben ze te weinig water of voeding gekregen. De aardbei is dan flets, de smaak verdwenen. „Soms zie ik aan het kroontje op de aardbei al hoe het met de vrucht is gesteld.”

Robben geeft de werknemers aanwijzingen. Over de manier van plakken, het verzorgen van de planten – het liefst zijn die aanwijzingen tot in de puntjes analytisch onderbouwd. Zoals toen hij laatst bij aardbeienkwekers in Armenië was. „De aardbeienkwekers wilden de planten zo snel mogelijk laten groeien, terwijl het beter was de plant meer ruimte en tijd te geven.” Dat zal Robben niet zomaar zeggen. Hij analyseert eerst de planten, stuurt monsters naar het lab en schrijft een uitgebreid rapport. En aan de hand daarvan geeft hij advies.

Zijn bijnaam kreeg Robben van de Poolse arbeiders. „Doktorek”’, zeiden de Poolse werknemers als Robben, bebrild met lichte montuur en witte haren, geknield in het veld met zijn loep de bladeren van een aardbeienplant bestudeerde. Het zijn bijnamen die anderen Robben hebben gegeven, zelf zal hij ze niet in de mond nemen.

Dat juist Robben aardbeiendokter wordt genoemd, heeft volgens hem ook andere redenen. „Nederland loopt voorop met tuinbouwtechnieken. Door de kleine oppervlakte, het vele water en de strenge milieueisen zijn kwekers inventief.” Daarnaast is zijn netwerk belangrijk: tijdens de verduurzaming van de aardbeiensector werkten veel mensen op eilandjes, Robben verbond ze. „En natuurlijk media-aandacht,” voegt Robben toe. „Toen ik naar Osterloh kwam, werd ik door Duitse media meteen tot aardbeienfluisteraar gebombardeerd.”

Na zijn ronde rijdt Robben terug naar de groene schuur van Osterloh. Hij kan geen moment herinneren dat hij niet met aardbeien bezig was, vertelt hij. Zijn ouders hadden vroeger ook een kwekerij in Berkel-Enschot. Al eet hij nu de rode vruchten enkel nog op het werk. „Laatst ging ik met mijn vrouw uiteten. Zij nam een sorbet met aardbeien,” zegt Robben. „Ik had gewoon blauwe bessen.”

    • Fabian de Bont