Opinie

    • Jannetje Koelewijn

Niet één jongen huilde of riep om zijn moeder

Stijf van angst lag Piet Vogel in bed, in een zaal vol jongetjes tussen de zes en de tien. Niet één van hen huilde of riep om zijn moeder, al hadden ze daar alle reden toe. In de dagen daarvoor waren ze van huis gehaald in vrachtwagens met open laadbakken, hun vaders en moeders waren naar kampen of de gevangenis gebracht. NSB’ers, oorlogsmisdadigers, collaborateurs. Meisjes en vrouwen die met een Duitse soldaat gevreeën hadden. Bij elkaar waren het er meer dan honderdduizend en hun al dan niet vermeende misdaden zouden ook hun kinderen hardhandig betaald worden gezet. Zomer 1945.

Lees ook de vorige column van Jannetje Koelewijn: De lotgevallen van de familie Vogel (I)

Je kunt denken: die oorlog, dat weten we nou wel. En dat leden van de Binnenlandse Strijdkrachten zich na de bevrijding verschrikkelijk misdragen hebben is ook bekend. Maar die kinderen? Wat weten we van hen? Piet Vogel was zeven toen hij werd geïnterneerd in Noordwijk, nu is hij een oude man van tachtig. Vorige week schreef ik al dat hij zichzelf een gelukkig mens noemt en dat geloof je ook wel als je hem ziet zitten in zijn tuinstoel, op het terras van zijn doorzonwoning in Zwolle-Zuid. Maar als je hem hoort vertellen over die tijd in het kindertehuis, dan denk je: zwaar getraumatiseerd. En je denkt: hoeveel oude mannen en vrouwen zijn er onder ons die dit soort dingen hebben meegemaakt en er nog steeds níets over durven te zeggen?

Na het opstaan ’s morgens moesten de jongens op bevel plassen, op wc’s zonder deuren. Bij het ontbijt was er te weinig brood en nog minder beleg. Alleen wie brutaal was en durfde te vechten kreeg genoeg te eten. Piet Vogel durfde niet te vechten en leed dus honger. Hij moest de hele tijd met één hand zijn broek ophouden, want zijn riem was gestolen. Zich wassen deed hij niet en schoenen en sokken had hij niet, de mannen van de Binnenlandse Strijdkrachten hadden hem blootsvoets meegenomen. Na een week of twee kreeg hij verschrikkelijke jeuk. Hij krabde zijn huid kapot, overal zweren. Hij kreeg koorts. De verpleegster bij wie hij zich moest melden liet hem zijn hemd uittrekken en schrok van wat ze zag: van zijn oksels tot zijn middel liepen twee rijen luizen. Wrijven met een doek hielp niet, ze moest ze met een lepel van zijn lijf schrapen.

En dan het gepest natuurlijk. Piet Vogel was een gemakkelijk doelwit, want hij had een snotneus en liep doorlopend te kwijlen. Hij kon van de stress zijn speeksel niet binnen houden. Maar zijn ergste obsessie, zegt hij, werd het plassen. Hij kon het niet op bevel en toen hij ’s avonds een keer heel nodig moest werd hij gedwongen om het te doen in het bed van een andere jongen. En toen was Piet Vogel de grote viezerik. Hoe hij daar op zijn tachtigste nog altijd onder lijdt, daarover volgende week meer.

Jannetje Koelewijn (j.koelewijn@nrc.nl) schrijft de wisselcolumn met Petra de Koning.

    • Jannetje Koelewijn