Opinie

    • Maxim Februari

Luchtig doen over transseksualiteit, maar niet te

Soms voelt het vreemd om als heteroman tot de LHBT-gemeenschap te behoren. Het is namelijk vaak nogal roze bij LHBT-evenementen. Nu de week van de Gay Pride en Trans Pride is aangebroken, vliegen de uitnodigingen me om de oren. ‘Kom en trek iets met glitters aan.’ Betrapt kijk ik naar mijn saaie, blauwe heteroseksuele zelf.

Transseksualiteit beschouw ik persoonlijk als een fysieke aandoening. Zoals je geboren kunt worden met een hartafwijking of met een defect aan je ledematen, zo kun je ook worden geboren met verkeerde geslachtskenmerken. Als je wilt, kun je dat simpel repareren door alsnog de juiste hormonen toe te voegen. Dat werkt snel en goedkoop. Gebruik testosteron en je secundaire geslachtskenmerken herstellen zich als bij toverslag. Aan de primaire kenmerken valt ook nog wel wat te doen.

Zie je het zo, dan behoor je met je transseksualiteit eerder thuis bij de Patiëntenfederatie Nederland dan bij de vereniging van homo’s en biseksuelen. Homoseksualiteit en biseksualiteit zijn immers geen aandoeningen en genezing daarvan is niet nodig. Aan de andere kant is het best te begrijpen dat transmensen liever over de liefde zingen op een roze feestboot in de Canal Pride dan meevaren met de Henri Dunant van het Rode Kruis.

Helemaal als je klaar bent met veranderen, wil je niet langer als patiënt worden gezien: eigenlijk is de transseksualiteit dan over. Tijdens oprispingen van precisie noem ik mezelf daarom geen transman, maar een man met een transitiegeschiedenis of een trans-achtergrond. Ja, dat klinkt akelig politiek correct, maar het is wel de beste manier om duidelijk te maken dat mijn probleem tot het verleden behoort. Er zijn overigens ook transmensen die geen medische behandeling wensen, die de kwestie niet als iets lichamelijks beschouwen of die zich blijvend als ‘transgender’ identificeren. Dat kan allemaal. Maar het hoeft niet.

Om de emancipatie te bespoedigen is het mijn persoonlijke keuze geweest steeds luchtig te doen over het verschijnsel. Al was het maar om ouders gerust te stellen: je kind belandt door zo’n transitie niet in de goot. En dat is ook waar. Het gaat onmiskenbaar goed in de wereld. Transvrouwen winnen missverkiezingen en talentenjachten, transmensen worden gekozen in parlementen of gemeenteraden, ze werken geruisloos in bedrijven, ze trouwen, scheiden, sporten, zingen, dansen. Tel je zegeningen. Het glas is half vol.

Toch is het glas ook half leeg. Minister Stef Blok heeft gelijk als hij bezorgd opmerkt dat de mens geneigd is tot uitsluiting van iedereen die anders is. Zijn je secundaire geslachtskenmerken door gebruik van oestrogeen niet als bij toverslag veranderd, is je transitiegeschiedenis nog zichtbaar in je uiterlijk, dan heb je het zelfs in Nederland moeilijk bij sollicitaties. Op straat. In de media. Er is geweld, de werkloosheid is hoog. Daar kun je die arme Gijp van Voetbal Inside niet de schuld van geven: het probleem is groter.

Ik ben er misschien te luchtig over geweest. Dat denk ik zeker sinds de opkomst van de #MeToo-beweging. In dat verband, en in verband met gedoe rond achterstelling van vrouwelijke schrijvers, wordt me vaak gevraagd de zaak van het feminisme te steunen. Daarbij krijg ik dan nogal eens te horen dat ik het in vergelijking met vrouwen ‘toch maar makkelijk’ heb. Een enkeling moppert zelfs dat ik me er als schrijver via geslachtsverandering makkelijk van af heb gemaakt.

Het rare sociale spelletje van de laatste tijd – laten we doen wie het het moeilijkst heeft – wordt me hier net iets te weinig empathisch. En als ik daar zelf aanleiding toe heb gegeven, moet ik mezelf ook weer corrigeren. Niet door te doen alsof transmensen het collectief vreselijk moeilijk hebben. Maar wel door erop te wijzen dat ze het niet vanzelfsprekend makkelijker hebben dan anderen. Zelfs als je geen geweld ondergaat en als je wel werk hebt, doe je dat werk niet altijd bijster ontspannen wanneer je steeds op bevel verantwoording moet afleggen over je leven en wanneer ramptoeristen op hoogst onhandige momenten in het openbaar beginnen te praten over je lichaam.

Je kunt zelf zo wijs zijn je geschiedenis niet te claimen als identiteit, maar dan leggen anderen je die wel als identiteit op. Daarom, om die anderen voor te zijn, kies ik nu af en toe voor de vlucht naar voren en breng zelf mijn achtergrond ter sprake voordat degene naast me op het podium erover begint. Dat voelt enerzijds als een nederlaag, net als dit stukje, maar anderzijds draagt het misschien bij aan een beter beeld.

O ja, die uitnodigingen dus. Wil ik leuk meevaren op een boot met homo’s en bi’s? Wel op een boot? Niet op een boot? Wel op een boot, heb ik besloten.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.
    • Maxim Februari