Opinie

    • Merijn Oudenampsen

Journalisten zijn geen neutraal doorgeefluik

Media onderschatten hun invloed op de publieke opinie, schrijft . Extremisten maken daar misbruik van.
Géza Hegedüs, voormalig lijsttrekker van de PVV in Rotterdam. Lars van den Brink

Met de opkomst van Trump en radicaal rechts is er wereldwijd een prominent debat gaande over de rol van de media. In Nederland zien we echter eerder journalistiek ongemak. De Volkskrant publiceerde afgelopen zaterdag een prominent interview met Géza Hegedüs, de kortstondige lijsttrekker van de PVV in Rotterdam, door Wilders aan de kant gezet om zijn wat al te extreme ideeën. Daar kwam veel kritiek op. De krant werd ervan beschuldigd een podium te bieden aan racistische ideeën en rechts-extremisme uit te vergroten.

Een redacteur van de krant antwoordde op Twitter dat „laten zien beter is dan verzwijgen”. Waarmee hij zijn critici een verlangen naar censuur leek aan te wrijven. Vaak wordt het debat op deze wijze gereduceerd tot een eenvoudige zwart-wit tegenstelling tussen tonen en verhullen.

Maar het gaat er niet zozeer om dat je dingen laat zien, het gaat erom hoe je die laat zien. Belangrijk hier is de taakopvatting van de journalist. Het beeld dat de media een objectieve reflectie van de werkelijkheid horen te bieden, als neutraal doorgeefluik, is in Nederland nog sterk aanwezig. Daardoor hebben journalisten vaak een opvallend passief zelfbeeld: don’t shoot the messenger. Je krijgt bijna het idee dat ze het nieuws volgen, in plaats van dat ze het zelf maken.

Een van de eerste dingen die studenten leren bij mediastudies is dat media per definitie niet neutraal zijn: ze functioneren als een filter, creëren hypes, lichten zekere ontwikkelingen uit en kaderen het nieuws op een bepaalde manier in. Zo kan het dat de journalistiek sommige trends versterkt en bepaalde werkelijkheden uitvergroot.

Meer vrijheid van meningsuiting staat niet gelijk aan vrijblijvendheid

De journalist John Jansen van Galen stelde eens dat de protestbewegingen in de jaren zestig en zeventig door de media veel groter werden gemaakt dan ze in werkelijkheid waren. Een vergelijkbare situatie lijkt zich nu voor te doen aan de andere kant van het politieke spectrum. Van radicaal-rechtse politici als Trump, Wilders en Baudet tot radicaal-rechtse protestbewegingen als Pegida en de Alt-right – de mediahype heeft hen gemaakt tot wat zij zijn.

Het idee van de journalist als neutraal doorgeefluik gaat vaak samen met een bepaalde visie op de lezer. Lezers zouden volwassen genoeg zijn om zelf te kunnen oordelen over extreme ideeën en hebben zeker geen betutteling nodig. Deze wat gemakzuchtige visie gaat echter uit van een nogal verouderd beeld van extremisme, dat voor iedereen onmiddellijk als zodanig herkenbaar is.

Lees ook: De snelle opkomst en publieke val van Wilders’ troef in Rotterdam

We leven immers in een tijd waarin vele radicaal-rechtse politici en partijen flirten en provoceren met extreme ideeën, en deze zo langzamerhand normaliseren. Baudet spreekt over „kwaadwillende, agressieve elementen die ons maatschappelijk lichaam in ongehoorde aantallen binnengeloodst” worden. In een slick interview met fotoshoot zet hij zich vervolgens neer als gevoelige ziel en onbegrepen genie. Hij heeft er concreet belang bij om extreme ideeën een wat gematigder uitstraling mee te geven. Als de journalist niet kritisch doorvraagt, komt hij daarmee weg.

Gestaag verschuift zo het Overton-venster – de bandbreedte van maatschappelijke geaccepteerde opinies – verder naar rechts. Het is tekenend dat de Volkskrantredacteur het interview met Hegedüs verdedigde, door te stellen dat hij in tegenstelling tot Wilders, Baudet en Blok, een officiële grens had overschreden en dat wilde „markeren”. Dat Geert Wilders door de rechter veroordeeld is voor groepsbelediging, geldt blijkbaar niet meer als grensoverschrijdend.

Lees ook: Stef Blok in het spoor van de westerse samoerai

Na de rechtszaak tegen Wilders hebben velen gesteld dat de rechter niet het geëigende instrument is om de grenzen van het debat te bewaken. De hoop wordt dan gevestigd op het zelfreinigende vermogen van het publieke debat. De ruimere vrijheid van meningsuiting in de VS is daarbij vaak het lichtende voorbeeld. In de VS gaat een grotere vrijheid van meningsuiting echter gepaard met een kritische, assertieve en zelf-reflexieve rol van de journalistiek. Meer vrijheid van meningsuiting staat dus niet gelijk aan vrijblijvendheid. Daar is in Nederland nog een flinke slag mee te maken. Het is tijd om dat passieve zelfbeeld te ontgroeien.

    • Merijn Oudenampsen