Opinie

    • Jannetje Koelewijn

Twee gedaanten in een donker viaduct

Vrijdag fietste ik met 36 graden van Zuiderwoude terug naar de stad, met achter me lieflijk Waterland en voor me de hoogbouw van Amsterdam-Noord. De zon scheen fel in mijn gezicht toen ik het viaduct onder A10 naderde en ik zag niet goed waar het boerenweggetje eindigde en het fietspad begon. Zo kwam ik, dat zou me al snel op onaangename wijze duidelijk worden gemaakt, op het deel terecht dat voor voetgangers was bestemd. Onder het viaduct van de ringweg: de gedaanten van twee mensen die in mijn richting liepen.

Het zal best dat mijn zenuwstelsel overdreven reageert op dit soort situaties, maar kan ik het helpen? Ik ken geen vrouw die het nooit heeft meegemaakt: mannen die je in tunneltjes of trappenhuizen of in de buurt van struikgewas plotseling belagen en dat je pijlsnel moet beslissen: vluchten of vechten. Dus ja, ik stond meteen op scherp. Kan ik nog weg? Wie hoort me als ik schreeuw? Het fietspad lag lager dan het voetpad. Om er te komen zou ik moeten afstappen. Beter doortrappen, de blik afgewend. En denken dat de meeste dingen die je je voorstelt niet gebeuren.

„Hé, klotewijf. Je fietst op de stoep.” Eén van de twee gedaanten. Een man. Hij heeft een fluorescerend gele hulpverlenersbroek aan en dwingt me te stoppen. De gedaante naast hem is een vrouw.

De opluchting maakt dat ik een beetje gescheld wel kan verdragen. „Sorry”, zeg ik. „U heeft gelijk.” „Stom wijf, waarom doe je het dan?”

Ik wijs naar de wirwar van weggetjes achter me en wil zeggen dat het per ongeluk was, maar ik krijg de kans niet. De man in de gele broek gaat er eens goed voor staan en zegt dat hij ordonnans is geweest en in de bewaking zit en me om mijn legitimatie kan vragen en me een bekeuring van 35 euro kan geven als ik niet onmiddellijk met een betere verklaring kom. „Nou?”

„Als u het echt wilt weten”, zeg ik. „Ik was bang.”

„Bang?” Hij lacht honend. De vrouw loopt door.

„Ja”, zeg ik. „Bang om aangerand te worden. Of erger.”

Nu gaat hij pas echt goed los. „Je lult uit je nek, stom wijf. Je bent te lui om af te stappen en je rijdt door over de stoep terwijl je ziet dat wij daar lopen en dan hang je een of ander lulverhaal op” – hij spuugt van woede – „om jezelf eruit te kletsen.”

Ik haal diep adem en bedenk dat hij vast erge last van de hitte heeft en stel voor dat hij me die bekeuring geeft. Maar hij draait zich al om. „Kutwijf, je lult uit je nek.”

Pas op de pont over het IJ ben ik weer min of meer rustig en weet ik wat me zo woedend maakt. Niet de agressie. Het botte ongeloof. Jij bent gek.

Jannetje Koelewijn (j.koelewijn@nrc.nl) schrijft deze zomer de wisselcolumn met Petra de Koning

    • Jannetje Koelewijn