Demonstreren is link in Marokko - dan maar een boycot

Onvrede Een boycot van (te) dure producten houdt in Marokko nu al maanden aan. Het is een stil protest tegen hoge prijzen en grote ongelijkheid. „Ze verdienen miljoenen over de rug van arbeiders.”

Werknemers van Centrale Danone protesteren tegen de mogelijke gevolgen van de boycot: ze vrezen voor hun banen. Foto Fadel Senna / AFP

Bij een kleine buurtsuper aan de Route de Ceuta in het Marokkaanse Fnideq liggen pakken met liters water opgestapeld in een hoek. Verderop staan koude flesjes in een koelkast. Water is er in vele soorten en maten, maar het merk Sidi Ali wordt hier geboycot. Het is een stil protest van een deel van de Marokkaanse bevolking tegen de hoge prijzen van eerste levensbehoeften.

„Het is een effectief wapen van een volk om zijn onvrede te uiten”, zegt Amazigh Ayaou, die vanuit zijn woonplaats Roosendaal actievoert tegen sociaal onrecht in de Rif. „En in een land waar mensen die vreedzaam protesteren twintig jaar celstraf krijgen, is dit ook veiliger.”

De boycot werd op 20 april door een anonieme groep via Facebook in het leven geroepen en lijkt voorlopig niet te stoppen. Naast het mineraalwater van Sidi Ali wordt verder de melk van Centrale Danone en de benzine van Afriquia gemeden. Wie er precies achter de nationale mokataa zit blijft onduidelijk, maar de actie is een ongekend succes. Volgens een opiniepeiling op internet, uitgevoerd door het Marokkaanse instituut Averty, sprak in eerste instantie 80 procent van de Marokkanen zijn steun uit.

Melkkoeien van magnaten

De Marokkaanse premier Saadeddine Othmani negeerde de boycot aanvankelijk, maar kwam onlangs toch met een oproep aan de Marokkanen om „de pagina om te slaan”. Tevergeefs. Begin mei probeerde de directie van Danone op te roepen tot verzoening , nadat inkoopmanager Adil Benkirane iedereen die de boycot steunde een „landverrader” had genoemd. Aangekondigde prijsverlagingen hadden amper effect. De boycot houdt na drie maanden nog altijd stand.

„Ik doe mee omdat de producten gewoon onbetaalbaar zijn. Ik rijd geen auto dus Afriquia kan ik niet boycotten, maar melk van Centrale en water van Sidi Ali haal ik niet meer”, zegt de 56-jarige Laziza el Abdellaoui uit Al Hoceima. „Vele mensen steunen de actie hier. Zelfs de kleine buurtwinkels sporen klanten aan producten van andere leveranciers te kopen.”

Het water, de melk en de benzine zijn niet zomaar gekozen. Het zijn melkkoeien van magnaten uit de toplaag, zoals koning Mohammed VI (wiens industriële consortium over vijf procent van de aandelen van Danone beschikt), voorzitter van de werkgeversorganisatie Miriem Bensalah-Chaqroun (wier familie eigenaar is van Sidi Ali) en minister van Landbouw en Visserij Aziz Akhannouch, die als miljardair Afriquia in handen heeft. „Niemand zegt dat wij in welvaart moeten leven. Maar het kan toch niet zo zijn dat er door een handvol zakenlieden over de rug van arbeiders miljoenen worden verdiend?”, stelt El Abdellaoui.

De boycot is gericht tegen de zakelijke en politieke elite, inclusief de koning

Amazigh Ayaou, wiens roots in Ait Bouayach liggen, zegt te weten dat de Marokkanen met de actie vooral een boodschap willen overbrengen aan de machthebbers. „De eigenaren van de producten behoren tot het clubje van families dat het land in haar greep houdt. De mensen zijn het zat dat die het land naar een afgrond sturen. Aan de andere kant is de boycot een middel om prijsverlagingen te eisen. Als dat met deze basismiddelen lukt, zullen mogelijk andere producten vermeden gaan worden.”

De massaliteit van de boycot komt voort uit de grote sociale onvrede die onder grote lagen van de bevolking leeft. Ze verwijten de autoriteiten dat Marokko wel miljarden uitgeeft aan de aanleg van hogesnelheidstreinen, de bouw van een haven in Tanger en de modernisering van vliegvelden, terwijl miljoenen inwoners honger lijden. Het protest heeft zich over het hele land verspreid. Van de Riffijnen uit het noorden, wiens roep om verbeteringen hardhandig het zwijgen werd opgelegd tot de voormalige mijnwerkers uit Jerada, die tevergeefs protesteerden tegen hun erbarmelijke leefomstandigheden in het noordoosten van Marokko. In andere delen van het Noord-Afrikaanse land zijn velen solidair en heerst er eveneens onvrede over het gebrek aan perspectief en vooruitgang.

Centrum van onvrede

Journalistiek in de Marokkaanse Rif is feitelijk onmogelijk, zo bleek tijdens een reis naar Al Hoceima. Lees ook: De Marokkaanse veiligheidsdienst reist met me mee

Volgens Talib Belhaj uit het zuidelijke Marrakesh zijn sociale verbeteringen in heel Marokko nu harder nodig dan ooit. „De koning heeft in één van zijn toespraken toegegeven dat er meer gedaan moet worden voor de bevolking. Hij gaf toe dat de plannen die de afgelopen vijftien jaar als draaiboek golden onder verschillende regeringen zijn mislukt. En dat men zich moet beraden. Het volk is lang genoeg uitgemolken. Steeds meer mensen lijken mee te doen aan de boycot omdat ze zien dat wél effect heeft.”

Al Hoceima geldt al een paar jaar als het centrum van de onvrede in Marokko, maar protestmarsen tegen de regering worden uit angst al maanden niet meer gehouden. Honderden Riffijnen verdwenen het afgelopen jaar de cel in. Gevangenisstraffen lopen uiteen tot twintig jaar voor de leider van de volksbeweging Nasser Zafzafi tot een paar maanden voor meelopers in protesten. Op vrijwel iedere hoek van de straat staat een agent, maar op de boycot hebben de autoriteiten geen enkele greep.

Lees ook: ‘We leven hier in de wildernis’

„In Al Hoceima is een boycot nu hét middel om te protesteren”, zegt Amazigh Ayaou. „Naast de drie producten worden ook andere bedrijven en zaken vermeden. Zo doen veel mensen geen boodschappen meer bij Marjane omdat die winkelketen van koning Mohammed VI is. Hotels en restaurants waarvan de eigenaren valselijk hebben getuigd tegen activisten van de volksbeweging Hirak worden geboycot. Veranderingen zijn broodnodig. We lezen bijna dagelijks over migranten die verdrinken in de Middellandse Zee. Mensen zien geen toekomst meer in Marokko. Wie er openlijk wat van zegt verdwijnt in de gevangenis.”

    • Koen Greven