Iedereen kon toch zien dat het namaak is

Wie: Hamid

Kwestie: merkbedrog, nepartikelen

Waar: rechtbank Noord-Holland

Eigenlijk heeft de (inmiddels failliete) handelaar in cosmetica op de Zwarte Markt in Beverwijk maar één argument. Douane en FIOD hebben van hem in 2012 acht pallets met exact dezelfde artikelen in beslag genomen, de gedupeerden aangemoedigd aangifte te doen – wat niet gebeurde. Waarna Justitie van vervolging afzag en hem z’n handel teruggaf.

Wat je terugkrijgt mag je verkopen en is dus niet illegaal, zegt Hamid (Kabul, 1974) in zeer redelijk Nederlands. Op de zitting houdt hij het bij zijn moedertaal Russisch. Destijds liet hij nog flyers drukken met zijn producten, ‘geïmiteerd van bekende luchtjes’. Dus waarom de officier het over misleiding en verwarring bij het publiek heeft, is Hamid een raadsel. „Ik ben toch geen ezel, geen fool?”

In de acht jaar tot 2015 dat zijn bedrijf bestond, heeft hij steeds tijdig alle paklijsten van zijn containers aan de douane gezonden. De Staat wist wat hij deed, namelijk „gewoon business”. Na de inbeslagname belde hij de controlerend ambtenaar totdat die ten slotte zei hem „zat te zijn” – en dat hij voortaan „gewoon kon importeren” zoals hij gewend was. Zolang hij er door zijn Chinese leverancier maar niet Paco Rabanne op laat zetten.

Hamid vindt dat je namaak mag verkopen omdát het namaak is; daarom liet hij er ook Baco Rebenne opzetten. Waarna de officier hem inlicht over de „belangen van het bedrijfsleven” dat „veel geld investeert” in ‘merkeigenheid’. Dat een artikel op meer kenmerken dan louter de naam beschermd wordt. Dus ook op typografie, kleurstelling, verpakking, design enzovoorts. „Dat wist ik niet”, erkent Hamid.

De advocaat zegt dat zijn cliënt erop mocht vertrouwen dat hij goed zat zolang hij niet de naam of het logo van het ‘echte’ product zou gebruiken. Hij vraagt om „niet-ontvankelijkheid” van het OM. Die bestrijdt dat de FIOD überhaupt kan vertellen of er wordt vervolgd of niet – en als dat al is gebeurd, dan is het OM daar nog niet aan gebonden.

De rechtbank schorst en oordeelt na twintig minuten dat de vervolging mag doorgaan. Dat Hamid destijds niet vervolgd is, is onvoldoende grond om erop te mogen vertrouwen dat hij ook nu buiten schot zou blijven. Daarna is de zaak eigenlijk verloren – er is te veel bewijs.

Het is al de derde keer dat Hamids handel is onderzocht. Bij de eerste keer kreeg hij een schikking, bij de tweede keer een voorwaardelijke taakstraf van 200 uur. Nu eist het OM drie maanden cel, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De zaak is nogal oud namelijk.

Hamid werd eind 2014 aangehouden. Sindsdien heeft hij bij zijn Chinese leverancier 75.000 euro schuld, en bij de bank 41.000 euro. Hij werkt nu voor zijn ex-vrouw, die een drogisterijkraam heeft. Eind 2014 liep hij nog in de proeftijd van zijn tweede zaak. Maar Hamid blijft verontwaardigd. Hij voelt zich „slachtoffer van het systeem”, waarin de ene instantie zegt dat iets wel mag en de ander van niet.

De verdachte profiteerde, liftte mee met andermans merken – dat werkt „marktverstorend”, zegt de officier. Hamid was bovendien gewaarschuwd. Zijn advocaat bepleit vrijspraak. Er is niemand misleid – iedereen die bij hem kocht, wist dat het om imitatie ging. In zijn laatste woord zegt Hamid dat hij „nooit bewust” valse merken heeft willen verkopen – en dat hij zeker „al deze problemen niet wilde”.

De rechtbank stelt vast dat Hamid zich beroepsmatig en dus met opzet bezighield met het imiteren en vervalsen van cosmetica-merken en steevast de grenzen van het merkenrecht opzocht. Dat hij eerder, in 2012, na eenzelfde geschil zou mogen vertrouwen dat hij hierin mocht handelen, kon de rechtbank „niet vaststellen”. Hij heeft merkenhouders schade berokkend en voor oneerlijke concurrentie gezorgd. Bovendien leverde hij slechtere kwaliteit waardoor hij het imago van het merk beschadigde.

De „redelijke termijn” waarbinnen een proces van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens moet plaatsvinden, is echter geschonden. Daarom blijft het bij een werkstraf van 200 uur, met een proeftijd van twee jaar en één maand voorwaardelijke cel.

    • Folkert Jensma