Het vreemde verdwijnen van de verzorgingshuizen

Ouderenzorg

Het kabinet wil dat ouderen thuis wonen ‘zo lang het kan’. In verpleeghuis De Burcht zien ze de gevolgen en vragen ze zich af: waarom is het verzorgingshuis afgeschaft?

Bezoekers van de dagbesteding van verpleeghuis De Burcht. Daphne Euser (28), die de dagbesteding voor dementerenden leidt: „Eerst hadden we 130 euro per patiënt, nu 50 euro.” Foto David van Dam

In haar zorgwinkel met braces, scootmobielen, rollators en loopstokken zag vrijwilliger Haya Goutier (75) een paar jaar geleden dat Rotterdam Alexanderpolder veranderde. Er kwamen ineens niet alleen meer redelijk vitale ouderen die een beetje hulp nodig hadden of een diner van de speciale maaltijdservice.

Er was een mevrouw die uitriep: ‘Ik moet van mijn zoon nú in een verzorgingshuis, want straks mag het niet meer van de politiek!’ Een dochter die huilend kwam vertellen dat haar vader al weken geen eten voor zichzelf kocht. Of de telefoontjes, soms wel drie keer per dag, van de dementerende man die vraagt waar zijn eten blijft. Goutier: „Dan zeg ik: kijk maar in de koelkast, daar staan rode kool en appeltjes voor u klaar. Is-ie even gerustgesteld, belt-ie een paar uur later weer. Dan denk ik weleens: kan zo’n man nog wel thuis wonen?”

Goutier, een oud-lerares met glimmend zilveren sneakers en auberginekleurige nagellak, was een van de eersten die in haar wijk opmerkte dat de ouderenzorg aan het veranderen was. Eerste oorzaak: de afbouw van verzorgingshuizen, afgesproken door VVD, CDA, D66, GroenLinks en de ChristenUnie in het Lente-akkoord (2012). Daardoor mogen alleen nog de meest kwetsbare mensen worden toegelaten tot een instelling. Tweede oorzaak: de hervorming van de langdurige zorg van het vorige kabinet waardoor gemeenten een grotere rol kregen bij het verzorgen van thuiswonende ouderen – met minder geld.

Thuis ga je in jezelf zitten praten. Dat is ook niets. Al heb je dan wel altijd gelijk.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) kwam vorige maand met een kritisch rapport over die hervormingen. De regering is er te makkelijk van uitgegaan dat familie en vrienden zorg zouden overnemen die niet meer door het verzorgingshuis of de gemeente geleverd kon worden, schreven de onderzoekers. Er zijn volgens het SCP te veel thuiswonende ouderen die eigenlijk tóch een instelling nodig hebben. 92 procent van de 1,37 miljoen 75-plussers woont nog thuis – ongeveer 700.000 van hen zijn naar schatting erg kwetsbaar.

Zorgen voor de hele wijk

Verpleeghuis De Burcht is gevestigd in een hoge flat middenin de Alexanderpolder. De eerste zes etages zijn het verpleeghuis (117 plaatsen), op de bovenste vier zijn zelfstandige ouderenwoningen (24 appartementen).

Aad de Kool en Fons van Hoek zitten op een ochtend in juni al vroeg aan een vergadertafeltje op de begane grond. De Kool, zilvergrijs pak, is regiomanager van Lelie zorggroep. Dat heeft verpleeghuizen in de regio Rotterdam-Rijnmond en biedt bovendien thuiszorg en vrijwel alle andere vormen van ouderenondersteuning verspreid over een groot deel van Nederland. Van Hoek, beige broek en geruit overhemd, is de baas van De Burcht.

Lees ook dit interview met Hans Buijing van Branchebelang Thuiszorg Nederland: ’Ouderenzorg zit op doodlopende weg’

Ze wilden graag laten zien hoe ze in Rotterdam Alexander omgaan met de opdracht ouderen langer thuis te laten wonen. Allereerst door de wijk in te gaan als verpleeghuis: ze zijn er niet alleen voor de ouderen die ‘binnen’ wonen, maar voor alle ouderen in de wijk. De zorggroep heeft daarom naast het verpleeghuis ook thuiszorgmedewerkers, dagbesteding voor dementerenden, appartementen voor semi-zelfstandige bewoning, een maaltijdservice, een zorgwinkel. Er rijdt een bezorgdienst voor boodschappen van De Burcht door de wijk, er is een werkwinkel (fietsbanden plakken) en er zijn activiteiten zoals het jaarlijkse Aspergediner – bij de laatste editie kwamen 60 ouderen.

Op pad met medewerkers blijkt dat het niet makkelijk is om voor alle ouderen in de wijk te zorgen. Soms is het even schrikken: De Burcht ziet ook hoe kwetsbaar sommige ouderen zijn die nog op zichzelf wonen.

In jezelf zitten praten

Daphne Euser (28) is sociaal pedagogisch werker en leidt de dagbesteding voor dementerenden in De Burcht. Ze werkt er nu acht jaar. De afdeling veranderde vooral na 2015, door de gedeeltelijke overheveling van ouderenzorg naar de gemeente.

Die wordt vaak uitgelegd als een verkapte bezuiniging, maar voor Euser is glashelder hoe die bezuiniging eruit zag. „Eerst hadden we 130 euro per patiënt, nu 50 euro. Het is niet zo moeilijk: we hebben minder personeel, maar veel ernstiger demente patiënten op de dagbesteding door de afbouw van verzorgingshuizen. De werkdruk is dus enorm toegenomen.”

In de woonkamer zitten vier vrouwen en twee mannen. Het is ‘boekenweek’. Ze eten straks soep met vermicelliletters en boekweit als hoofdgerecht. Vanmiddag gaan ze naar kinderboeken luisteren, daarna weer in het busje naar huis. De ouderen vinden het gezellig, zeggen ze. Eén mevrouw zegt in tien minuten tijd vier keer hetzelfde. Een andere mevrouw, 93 jaar, zegt: „Thuis ga je in jezelf zitten praten. Dat is ook niets. Al heb je dan wel altijd gelijk.” Er wordt gelachen.

Het gaat allemaal best, zegt Euser. Ze hebben hulp van goede vrijwilligers en meestal is het gezellig. Maar soms maakt ze zich zorgen. Ernstig dementerende mensen hebben soms loopdrang. Dan willen ze steeds weg. Euser: „Onze dagbesteding kan natuurlijk niet op slot, het is geen gesloten afdeling. Dus dan kunnen we ze soms geen dagbesteding meer aanbieden omdat ze eigenlijk al te ziek zijn. Dat was een paar jaar geleden nog niet voorgekomen.”

Foto David van Dam
Foto David van Dam

Een paar straten verderop zit Lizette van Liere (27) op de bank bij een oudere mevrouw die ze helpt met steunkousen en medicijnen. Van Liere, rode All Stars onder een wit uniform, verzorgt samen met haar team ongeveer tachtig cliënten in de wijk. Wijkverpleegkundigen zoals Van Liere bepalen sinds 2015 hoeveel en welke zorg een oudere krijgt die nog thuis woont.

Van Liere moet ook meekijken of het nog wel gaat thuis, al probeert ze verhuizing naar een verpleeghuis zo lang mogelijk uit te stellen. „Je moet eerst kijken wie allemaal nog kunnen helpen, ook in het netwerk van de oudere. Zorg thuis is nog heel lang mogelijk, maar er zijn complexe situaties dat het echt niet meer kan. Dan zoeken we een plek in het verpleeghuis.”

Van Liere komt vaak bij een mevrouw thuis die eigenlijk te angstig is om nog thuis te wonen. Zij, een 90-plusser, is een keer overvallen en durft niet meer naar buiten. Ze wil best naar een verpleeghuis, maar daarvoor is ze nog te fit.

Voor Van Liere is het zaak om het leven thuis dan toch zo prettig mogelijk te maken. Ze hoort toch ook van de meeste ouderen dat zij liever zo lang mogelijk thuis wonen. In dit geval helpt een dochter vaak, waardoor het allemaal nog gaat. Van Liere: „Ik maak me vooral zorgen over mensen die geen familie of vrienden hebben die kunnen helpen. Dan vereenzamen ze thuis.”

Waarom geen verzorgingshuis?

Corrie Westerink-Plak (87) loopt aan de arm van verpleegster Karolina Makowska door een lange gang op de zevende etage van De Burcht. Ze draagt een ruimvallende blouse in rood, wit en blauwe accenten.

Lees ook dit opiniestuk van Joris Slaets, hoogleraar ouderengeneeskunde: Gelukkig oud worden in het verpleeghuis, dat kan echt

Het ziet er hier precies hetzelfde uit als in het verpleeghuis, op de eerste verdiepingen. Een lange gang met kamers aan weerszijden, er lopen regelmatig verpleegkundigen langs. Toch is dit iets heel anders. Hier wonen ouderen in zelfstandige woningen die worden gehuurd van een corporatie, met zorg die op afroep beschikbaar is. Maar dat lijkt wel… „Inderdaad”, zegt locatiemanager Fons van Hoek, „dit komt heel dicht in de buurt van het oude verzorgingshuis. En ik zal eerlijk zijn: van mij had dat niet afgeschaft hoeven worden.”

Overal in het appartement van Westerink hangen klokken. Staartklokken, staande klokken, koekoeksklokken. Tik-tik-tik-tik, en om het uur een serie diep galmende slagen.

Westerink kwam hier een paar jaar geleden wonen met haar echtgenoot. Hij kon bijna niet meer lopen, werd incontinent, had veel ouderdomskwalen en hulp nodig. Al een paar maanden na de verhuizing overleed haar man, ze waren 61 jaar getrouwd.

„Hier wonen eigenlijk mensen die te goed zijn voor het verpleeghuis en te slecht om thuis te wonen.”

Westerink krijgt elke dag medicatie en wordt geholpen bij het aan- en uittrekken van steunkousen. Ze krijgt eten van het verpleeghuis. Westerink: „Ik merk wel dat ik boven een verpleeghuis woon, maar ik hoop niet dat ik zo ver weg geraak als sommige mensen hier. Soms zie ik ze beneden op de gangen en dan ben ik bang: zie ik er straks ook zo uit? Voorlopig zit ik hier boven goed.”

Verpleegster Makowska verdeelt met haar team de appartementen en de zorg op de bovenste etages. „Wij zijn de ogen en de oren van de bovenste etages”, zegt ze. „Als het niet goed gaat met iemand, dan zien wij dat snel. Hier wonen eigenlijk mensen die te goed zijn voor het verpleeghuis en te slecht om thuis te wonen. Vroeger zouden deze mensen gewoon in het verzorgingshuis terechtkomen. Hoewel, dit lijkt er natuurlijk wel veel op. Wat dat betreft had de minister niet alles hoeven veranderen.”

Westerink kijkt op haar horloge. Ze moeten snel naar boven, helpen bij het koken voor vanavond. Gearmd lopen zij en Makowska de deur uit, die zachtjes dichtslaat. Er hangt een bordje boven: ‘Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens’.

    • Enzo van Steenbergen