Jarenlang de adjudant van, nu zelf de kapitein

Geraint Thomas Tourwinnaar

Geraint Thomas is de eerste Welshman ooit die de Tour de France wint. Een blakende vorm, foutloos koersen en een geweldig eindschot in de bergetappes brachten hem de eindzege.

Je neemt plaats in het perscentrum van het Parc des Sport Michel Labéguerie in Espelette en ziet een peloton aan camera’s op je gericht, en een honderdtal journalisten die schouder aan schouder met een laptop op hun schoot wachten tot je begint te praten. Ze zijn van over de hele wereld gekomen om op te tekenen hoe het voor je is om als eerste Welshman in de geschiedenis de Tour de France te winnen.

Je slaakt een diepe zucht, en laat het op je afkomen, een microfoon in je handen, je gezicht veilig onder de klep van je pet. Je zit daar timide, je linkerschouder wat lager dan de rechter, je rug gekromd. Echt een man van de spotlights ben je niet.

Na elke vraag zoek je naar de juiste woorden om te omschrijven wat er in je omgaat. De meeste zinnen begin je met „pfaw” als een uitroep van ongeloof. Je hebt het over een wervelwind aan emoties die je nu nog niet kunt doorgronden. Daarnet, aan de finish en vlak daarna, vond al die onderdrukte stress een weg naar de oppervlakte. Je echtgenote Sara Elen stond daar ineens, die zag je niet aankomen. Daarna liet een interviewer je telkens weten dat je de Tour hebt gewonnen. Er kwamen geen woorden meer, onder die pet liet je de tranen de vrije loop. Later kom je superlatieven tekort. „Bizar, ongelooflijk.”

Drie weken foutloos koersen

Je beseft niet wat je hebt geflikt, na drie weken van foutloos koersen door Frankrijk. Alles kwam nu eens op het juiste moment samen. Als pech je blijft bespaard ben je tot dit soort dingen in staat. Je ging in je carrière zo vaak tegen de grond dat werd gedacht dat je een grote ronde nooit zonder kleerscheuren zou kunnen doorstaan, je scheurde je milt, brak je neus en bekken. Daarom durfden ze het bij Sky niet aan je als enige kopman af te vaardigen. Hoewel, in de Giro van vorig jaar was je de grote man, maar in etappe negen knalde je tegen een motor en moest je de race beëindigen, net als Wilco Kelderman.

Volgens je ploegleiders was je daar al bij machte geweest tot in Milaan om het roze te wedijveren met Tom Dumoulin. Je kwam terug, reed vier dagen in de gele trui van de Tour na winst in de proloog, en ging toen opnieuw onderuit in de negende etappe, met een gebroken sleutelbeen als resultaat. Hield het dan nooit op?

Blakende vorm

Zeker wel, dit seizoen verliep crescendo. Derde in de Tirreno, winnaar van de Dauphiné, als generale voor de Tour, een minuut voorsprong op de rest. Bij Sky zagen ze je blakende vorm en gaven ze je het vertrouwen, min of meer: je mocht als schaduwkopman naar de Tour, in de pikorde net onder Chris Froome, die als viervoudig Tourwinnaar reeds had laten zien deze drie weken te kunnen presteren. Mocht hij door het ijs zakken omdat hij op ging voor zijn vierde grote ronde op rij en de affaire met salbutamol wellicht ook sporen had nagelaten, dan moest jij er staan om het stokje over te nemen. En zo geschiedde.

Froomey’ was niet op z’n best, en jij, met ‘G’ bijgenaamd omdat men nooit weet hoe je voornaam precies uit te spreken, was dat wel. Je greep de macht in rit elf, naar ski-oord La Rosière, waar Tom Dumoulin zo graag had gewonnen ter nagedachtenis van zijn overleden oom. Met een machtig eindschot stak je daar een stokje voor. In de laatste 500 meter sprintte je bij iedereen weg alsof het een baanwedstrijd betrof.

Een dag later hetzelfde naar Alpe d’Huez, een van de mooiste momenten uit je wielerleven. Je had te lijden, zeker in Bocht 7, waar duizend hossende Hollanders veel liever zagen dat ‘hun’ Tom als eerste Nederlander in dertig jaar de etappe won. In het zog van Chris Froome vlogen de boe’s je om de oren, maar zeven kilometer later pakte je de zege in het geel op een dag waarop je je had voorgenomen slechts te volgen.

Ruik je de finish, dan kun je iets extra’s. Je punch is een dodelijk wapen gebleken, zeker als je concurrenten aan het einde van een zware bergetappe op apegapen lagen. Het tekent je veelzijdigheid, opgedaan op de piste van de Maindy Flyers Youth Cycling Club in een buitenwijk van Cardiff, waar je je als jochie van negen aanmeldde. Ze spreken daar als in een klassiek jongensboek over je: natuurlijk won je op je twaalfde al van jongens die veel ouder waren, zoals het elke ruwe diamant vergaat. Je komt er nog regelmatig, omdat je als trotse Welshman nimmer vergeet waar je vandaan komt.

Je doorliep de volledige leerschool van UK Cycling, werd twee keer olympisch kampioen ploegenachtervolging, in 2008 en 2012, en richtte je nadien langzaam op het wegwielrennen. Een decennium geleden al kwam je in hetzelfde team als Chris Froome, bij Barloworld. Jullie raakten bevriend, verkasten later samen naar het grote Sky, en wonen tot op de dag van vandaag bij elkaar in de buurt, in Monaco.

Van een bittere concurrentiestrijd in deze Tour – jullie vochten immers samen om maar één gele trui – was dan ook geen moment sprake, hoe graag de pers dat ook had gezien. Froomey gunde jou de zege, en vice versa. Je had in de voorbije jaren immers zo vaak keihard voor hem gewerkt. Het werd tijd om eens iets terug te doen, zeker nu zijn benen niet waren wat ze geweest zijn, en die van jou juist beter dan ooit.

Baanrenner

Middenin het transitieproces van baanrenner naar man van de grote rondes won je een Belgische semiklassieker, de E3 Harelbeke, in 2015. Halverwege de wedstrijd waaide je van je fiets een greppel in, en toch was je op de streep de sterkste. Een jaar later won je de kortere meerdaagsen: de Ronde van de Algarve, Parijs-Nice. Drie weken zonder pech was het enige wat je nog nodig had om als eerste Welshman ooit een grote ronde te winnen. Alles hoefde maar één keer samen te vallen.

En dat gebeurde in de editie van 2018. Geen valpartij op de kasseien, geen lekke band op een rot moment. Je sprokkelde je seconden, en hoefde daarna slechts te consolideren. Zelfs een toeschouwer die je op de Col du Portet onderuit probeerde te trekken kon je opmars niet stuiten.

Op 32-jarige leeftijd ben je in de kracht van je leven, taai en door het afzien gehard. Je hebt genoeg geleden in je carrière, en nu ben je heer en meester op alle fronten: je kan sprinten, klimmen, en tijdrijden. Je ploeg roemt je focus, en de rust die je hebt. De druk van het geel was kinderspel vergeleken met de olympische finale, toen het moest gebeuren in vier minuten. Je bent niet zo snel meer van je stuk te brengen.

Geen prater

Geen prater, alleen als het moet, aldus je ploegleider Servais Knaven. Blijkbaar was je zo ook als kind, staat in Het Laatste Nieuws. Bij tegenslagen geen driftbuien maar juist kalmte, zodat er ruimte overbleef om na te denken over hoe het de volgende keer beter kon. Zelf spreek je over een ‘bubble’; jezelf opsluiten in je eigen wereld. Je bekeek deze Tour dag voor dag, klim voor klim. Te ver vooruitkijken vond je zinloos.

Pas na de bergrit van vrijdag, toen je Tom Dumoulin opnieuw soeverein volgde en hem in de eindsprint weer klopte, begon je in de eindzege te geloven. In de tijdrit ging het nog bijna mis, in een bocht naar rechts bleef je maar net staan. Vanaf dat moment ben je relatief kalm naar Espelette gereden, waar je met beide armen in de lucht over de finish kwam.

En nu zit je hier, al die camera’s in je gezicht, lamgeslagen van alle emoties. Je kunt niet wachten tot je het kunt gaan vieren, in Parijs, met al je ploegmakkers, en later in Cardiff, waar ze het al hebben over Geraint Thomas als grootste sportman van Wales, een levende legende. Je haalt je schouders op terwijl je zegt dat je zult proberen jezelf te blijven. Je bent nuchter, relativeert graag: „Het is maar wielrennen, niet dat we naar Afghanistan gaan, of zo”.

    • Dennis Meinema