Pianist en Hortus Festival-leider Maarten van Veen

Foto Anne Meyer

De ‘Sacre’ zoals Stravinsky hem nooit hoorde

Reportage

Het Hortus Festival, gericht op historische uitvoeringen van muziek van 1850-1950, heeft vanaf dit jaar een ruimere opzet. Uniek: je hoort er Stravinsky’s Sacre op twee piano’s, inclusief de verbeteringen die de officiële orkestpartituur nooit haalden.

De historische Palmenkas van de Amsterdamse Hortus Botanicus, gebouwd in 1912, heeft één nadeel – tenminste, als je de broeikas op de warmste dag van het jaar als concertlocatie wilt gebruiken. Het is er heet. ’s Middags heeft Cora Burggraaf er Mahlers Kindertotenlieder gezongen, voor een publiek dat droop van het zweet. „Maar het was waanzinnig mooi”, zegt Joke ’t Hart, voorzitster van het Hortus Festival-bestuur.

Het Hortus Festival vindt dit jaar voor de vijftiende keer plaats. Het idee is even simpel als doeltreffend: kamermuziek, op authentieke instrumenten, in botanische tuinen. Gedurende tweeënhalve week zijn er in vijf steden middag- en avondconcerten. Het thema, ‘De dood spreekt’, komt tot uitdrukking in werken van Schubert tot Sjostakovitsj. Voor het eerst staan er ook hedendaagse componisten op het programma, zoals David Lang en Klas Torstensson.

Pianist en artistiek leider Maarten van Veen (1971) lijkt niet ontvankelijk voor de hitte. In de groenst mogelijke elektrische auto – ‘nul uitstoot’ – rijdt hij na zijn middagconcert in de hortus van Leiden richting die in Amsterdam. In Leiden heeft Van Veen met het Hortus Ensemble een zinderende uitvoering gegeven van Messiaens Quatuor pour la fin du temps, met een adembenemende klarinetsolo van Lars Wouters van den Oudenweijer. Voor het Amsterdamse avondconcert staan werken voor twee piano’s van Rachmaninov en Stravinsky op het programma, door Van Veen en Bobby Mitchell.

Waarom zou je klassieke muziek eigenlijk uitvoeren in een hortus botanicus?

Terug naar de natuur

‘Terug naar de bron, terug naar de natuur’ is het motto van het Hortus Festival. Waar de historische uitvoeringspraktijk zich meestal bezighoudt met oude muziek richten Van Veen en consorten zich juist op muziek uit de periode 1850-1950. Niet voor niets is Van Veens eigen grootste passie de Érard-piano. Dat deze volledig handgemaakte Franse vleugel met zijn transparante klank en karaktervolle registers is verdrongen door de moderne vleugel, dat vindt Van Veen maar niks. Hard en egaal wonnen het van verfijnde diversiteit. Brahms en Liszt stuurden de Steinways die ze kregen niet voor niets ontevreden terug – hun muziek is geschreven op, en voor, een Érard.

Fluitende pad

Waarom zou je klassieke muziek eigenlijk uitvoeren in een hortus botanicus? Een groot voordeel is de lage overhead, verklapt Van Veen. Bovendien zijn de kassen en oranjerieën klein en hebben ze geen podium, zodat het publiek dicht op de musici zit. „Ik ben er inmiddels aan gewend, maar collega’s die hier voor het eerst spelen moeten wel even slikken.” Al blijft de natuur wel de natuur, zelfs in gecultiveerde dependances als horti. Zo werd een concert in Utrecht begeleid door de fluittoon van een vroedmeesterpad.

Deze vijftiende editie van het Hortus Festival kent wel een sterk veranderde opzet. In plaats van één concertavond per week zijn er nu concertdagen met meer activiteiten (workshops, masterclasses) en ‘festivalgevoel’. Nu zijn er zes dubbele concertprogramma’s, die door een rondreizend muzikantencircus worden uitgevoerd in Amsterdam, Leiden, Rotterdam, Utrecht en Wageningen.

Haarlak

Bij het inspelen in de Palmenkas blijkt Van Veens Érard-piano een stuk zachter te klinken dan die van zijn collega Bobby Mitchell. „Heb je haarlak?”, roept Van Veen naar de stemmer. Die doet alsof hij iemand de nek omdraait. Haarlak wordt vaak gebruikt om vleugels luider te laten klinken, legt Van Veen uit, ze spuiten het op het vilt van de hamers zodat die harder op de snaren slaan. Niet echt authentiek.

De stukken op het avondprogramma hebben een bijzondere betekenis voor Van Veen. Als kind was hij al gefascineerd door Rachmaninovs symfonische gedicht Dodeneiland, waarvan hij op zijn zestiende een transcriptie maakte: die wordt nu voor het eerst uitgevoerd. En van Stravinsky’s muziek voor twee piano’s, waaronder de Sacre du printemps, maakten Van Veen en zijn broer Jeroen veelgeprezen cd-opnames in samenwerking met dirigent en musicoloog Robert Craft, de vriend van Stravinsky die gold als autoriteit op het gebied van diens nalatenschap. Craft had het eerder geprobeerd met Amerikaanse muzieklegendes Leonard Bernstein en Aaron Copland, maar die bakten er niks van.

Toen Maarten en Jeroen van Veen bij Craft thuis kwamen, haalde die de kopieën van de originele partituren van onder zijn bed vandaan. Gedrieën liepen ze de transcriptiefouten na die de broers hadden ontdekt. „Dat was een geweldige ervaring”, zegt Van Veen. Stravinsky bleek allerlei correcties te hebben gemaakt die nooit door de uitgeverij waren doorgevoerd. „Kijkend naar Stravinsky’s handschrift besefte ik dat we allemaal maar doorgeefluiken in de geschiedenis zijn”, zegt Van Veen. Er loopt een rechte lijn van Stravinsky’s Sacre in de gedaante die hij het zelf nooit heeft kunnen horen naar de Amsterdamse Palmenkas, beseft hij. „Dat is een eervol, maar ook een verplichtend besef.”

    • Joep Stapel