Niels Feijen won de Europese titel straightpool tijdens het EK in Veldhoven. Deze week maakt hij nog kans op een titel bij 10-ball.

Foto’s Robin Utrecht

De bridge, het krijtje, de keu en de stoot

Niels Feijen poolbiljarter

Het EK in Veldhoven bracht Niels Feijen even terug vanuit Roskilde. Nederlands beste pooler vertelt over de cruciale details in zijn sport.

Op zijn twintigste vertrekt Niels Feijen voor het eerst naar de Verenigde Staten. Het land van de onbegrensde mogelijkheden, weet hij. Het poolen is er groot. Zijn droom achterna, hij wil professioneel pooler worden. Ruim twintig jaar later heeft de inmiddels 41-jarige Niels Feijen tien Europese titels en twee wereldtitels achter zijn naam staan. Hij is al twintig jaar – met een jaar onderbreking – in het bezit van een A-status bij sportkoepel NOC*NSF. Op dit moment is hij de enige Nederlandse speler met een dergelijke status, die hij met de Europese titel in het straightpool in Veldhoven deze maand in ieder geval weer voor een jaar heeft verlengd.

En de wereld van het poolen bracht hem meer. Feijen, geboren in Den Haag, woont sinds een aantal jaar vlakbij Roskilde in Denemarken met zijn Deense vrouw, die hij op het EK pool in 2004 tussen de tafels leerde kennen. Hij reist voor zijn sport de wereld rond en keerde voor nu even terug in Nederland. Vier versies van het poolen speelt hij op het EK en daarnaast nog de landenwedstrijd. In het 10-ball maakt hij later deze week nog kans op een gouden medaille, maar de druk is er al af voor The Terminator, een bijnaam die hij verdiende aan zijn fanatieke – volgens anderen „intimiderende”– oogopslag tijdens wedstrijden. En van ophouden is nog geen sprake. „De variatie tussen de verschillende disciplines maakt dat ik dit spel na twintig jaar nog altijd leuk vind”, vertelt Feijen.

De bridge

„Kijk, dit is al een groot verschil met amateurs.” Feijen houdt de vingers van zijn linkerhand in een op het oog onmogelijke positie. Hij toont zijn bridge, de steun op tafel, waarop het einde van de keu leunt als hij aanlegt voor een stoot. „Als ik jou vraag om dit te doen, lukt dat je niet. In elk geval niet voor een langere tijd. De spieren in je vingers zijn deze houding niet gewend, die moet je trainen. Ik doe dat al twintig jaar. En nog. Tijdens het autorijden, het tanden poetsen of aan de eettafel. Altijd maar die beweging herhalen, het gaat vanzelf.”

Feijen is begonnen met een andere bridge dan hij nu gebruikt. En tussendoor heeft hij ook nog een paar keer gewisseld. „Het is een gevoel. Maar het is ook afkijken bij andere spelers. Experimenteren, uitproberen waar je je goed bij voelt. Dat is voor mij nu deze bridge, maar het kan zo weer veranderen.”

Het krijtje

Vier krijtjes passen er in zijn keu-tas. Hij doet gemiddeld twee weken met een krijtje. „Bij toernooien gaat hij iets sneller op, maar met deze vier red ik het wel een maand. Maar het ligt er maar net aan hoe het krijtje voelt. Als ik denk: ‘Deze begint irritant te worden’, of hij schiet een keer uit mijn hand tijdens een wedstrijd, dan gooi ik hem weg.”

De krijtjes laat Feijen gewoon liggen in zijn tas op zijn hotelkamer – ze zijn niet heilig. „Thuis heb ik dozen van honderd krijtjes staan. In de garage, naast mijn pooltafel. Als ze op zijn, dan vraag ik een nieuwe aan mijn sponsor. Die worden gewoon thuis geleverd.”

Niels Feijen in actie tijdens het EK. Foto Robin Utrecht

Sinds kort zijn er nieuwe krijtjes op de markt, volgens Feijen een „marketingdingetje”. „Die nieuwe krijtjes zijn vetter, waardoor je minder hoeft te krijten en het krijt ook nog eens langer op de tip blijft. Goed verzonnen, maar dat spul liet vlekken achter op de tafel en de bal. Daardoor werd het contact met de bal slechter. Dan krijg je een kick, waarbij de bal opspringt en van koers verandert. Dat wil je niet.”

Dat nieuwe krijt is sowieso niets voor Feijen, voor wie krijten een onderdeel van het mentale proces is. „Ik gebruik het om mijn focus te vinden. Ik krijt ook altijd op dezelfde manier.” Feijen gaat staan, een denkbeeldige keu tussen zijn handen, en houdt zijn benen in een wat onhandige houding. „Je staat niet de ene keer zo en dan weer zo. Maar ik krijt wel met beide handen.”

Het liefst legt hij zijn krijtje op tafel tijdens de wedstrijd. „Vroeger was dat geen probleem. Maar nu doet niemand het meer omdat de nieuwe krijtjes duur zijn. 20 dollar per stuk. Niemand wil zijn krijtje aan tafel kwijt raken. En daarom mag ik van de scheidsrechter mijn krijtje ook niet meer op tafel hebben. Die legt hem nu keurig iedere keer bij mijn stoel. Van de zotte.”

De keu

Tijdens de wedstrijd heeft Feijen drie keus bij zich. „Natuurlijk mijn speelkeu, waarmee ik de meeste ballen stoot. En daarnaast mijn afstootkeu – de breker - en de jumpkeu. Die laatste gebruik ik om de witte bal over een andere bal heen te stoten.”

Volgens Feijen is er een hype gaande over keus. „Bijna iedereen speelt nu constant met de extensie, een handvat dat de keu langer maakt. Ik vind dat onzin. Ik draai die extensie alleen maar aan mijn keu als ik hem echt nodig heb.”

De keu kan van verschillende houtsoorten zijn gemaakt. „Dat stem je zelf af op je voorkeur, want verschillend hout betekent verschillend gewicht. De onderkant van mijn keu is bijvoorbeeld van olijfhout. Vind ik ook mooi. En er zit kokobolo-hout in verwerkt.”

Feijen heeft niet altijd met dezelfde keu gespeeld, maar heeft een voorkeur. „Mijn keu moet altijd één haartje dikker zijn dan de normale uitvoering. Een keer gaven ze me een te dunne keu. Dat is dan gelijk niet lekker. Een ander gevoel in mijn hand. Zo nauw luistert het.”

De grip

De grip aan de onderkant van de keu is belangrijk. Feijens grip is van linnen. „Je hebt ze ook van leer. Daar kan ik niet mee spelen, dan gaan mijn bezwete handen teveel glijden. Dus linnen, maar dan alleen op de speelkeu. Ik heb rubber op de breker, want dat is goed voor de harde afstoot. Biljarters hebben ook een soort rubberen condoom om hun keu, die zorgt ook voor meer grip bij hardere stoten.”

Twintig jaar heeft hij met talkpoeder op zijn handen gespeeld, voor de soepelheid. Sinds twee jaar gebruikt hij een handschoentje. „Dat geeft me een constant gevoel van grip. Komt ook uit het biljarten. Het wordt steeds populairder. Ik denk dat bijna de helft van de poolers inmiddels een handschoen aan heeft. Dat was een paar jaar geleden nog pakweg vijf procent.”

De pomerans

De leren pomerans, het uiteinde van de keu dat contact maakt met de bal, bestaat ook in verschillende soorten. Feijen speelt met een softe versie. „Maar je hebt ook supersoft, hard en medium. Zoals de banden in de Formule 1. Maar op de breker heb ik een harde pomerans. Die breek is echt een klap, dan moet je een harde pomerans hebben. Maar tijdens het spel werkt soft het beste, voor mij dan. Met de zachte ballen wil je beter, fijner contact hebben. Dan gaat het om de finesse. Dan kan je met een harde pomerans zomaar een miscue hebben. Dan schiet de bal van de keu af, zonder grip.” Feijen pakt een lege theemok. „Kijk, als ik hier hard tegen duw, met iets hards, dan heb je weinig wrijving en dus minder grip.”

Ook wat betreft de pomerans zijn er de laatste jaren ontwikkelingen geweest. „Je hebt er nu met meerdere laagjes, die langzaam verdwijnen, maar waardoor je iedere keer een nieuwe top hebt. Het is ook een beetje marketing.”

De stoot

Bij het stoten gaat het volgens Feijen vooral om de balans van je lichaam. „Dat begint ermee dat je in lijn staat met de keu.” Feijen staat nogmaals op uit zijn stoel om het voor te doen. „Je hebt de lijn van de stoot, daar staat je standbeen dan in een rechte lijn achter. Je andere voet zet je voor je balans er naast. Arm omhoog, die is dan in 90 graden. En dan pas loslaten.”

En dan gaat het om de followthrough, het door de bal heen stoten. „Dat zeg ik ook tegen de jonge poolers die ik les geef. Ik trek de vergelijking met golf, met tennis, met het slaan bij honkbal. Je moet je stoot afmaken, de keu helemaal doortrekken.”

Feijen heeft bij een stoot gelijk door of hij goed is. „Dat voel ik aan mijn lichaamsspanning. Bij een directe pot zie je gelijk het resultaat, maar bij een defensieve stoot heb je twee of drie seconden waarin je ziet hoe de bal loopt. Ik weet als ik de witte bal raak al of hij genoeg snelheid heeft.”

Bij het stoten gaat het ook om creativiteit. „Je kan altijd verschillende dingen met een shot doen. De opties zijn bijna oneindig, dat maakt het spel ook zo leuk. Vooral de Filippijnse jongens zijn creatief. Daar leer ik dan van.

Feijen vertelt dat zelfs de beste pooler ter wereld, Efren Reyes, ook Filippijns, gaat kijken bij de recreanten. „Zij doen dingen die ze zelf niet doorhebben, maar die heel verrassend kunnen zijn. Ze stoten soms zo hard dat de bal een andere baan neemt. In hun onhandigheid schuilen soms nieuwe shots, waar de beste poolers van kunnen leren.”

    • Jelmer Kos