Het A-woord in een kop: stelt de krant de persoon voorop of de aandoening?

Dat loog er niet om. Zaterdag stond op de voorpagina deze kop: Een autist op jihad. Ja, dat stuk, een indringend verhaal over de autistische jongen Thierry, die moslim wordt, radicaliseert en naar Syrië vertrekt, ga je dus wel lezen.

Maar een huisarts uit Hilversum tekende bezwaar aan tegen de kop, net als verschillende redacteuren op de krant. Het leverde maandag een discussie op in de redactievergadering, met als conclusie: die kop had niet zo gemoeten, te hard.

Argument: de term autist is een scheldwoord geworden en reduceert iemand tot zijn aandoening. En inderdaad, Nederlanders schelden graag met zulke woorden, kennelijk een nationale aandoening. Dat geldt voor dit woord nog eens extra, want juist mensen met autisme worden toch al vaak slecht begrepen, uitgesloten of gepest.

De kernachtige botheid van de kop stak daarom nogal af tegen het juist empathische en menselijke stuk van verslaggever Thomas Rueb (die het woord in het stuk niet gebruikte). Overigens laat Rueb weten dat de ouders van de jongen, met wie hij uitgebreid sprak, er geen aanstoot aan namen; zij waren blij met het artikel. Dat werd op Twitter ook door de Nederlandse Vereniging voor Autisme (NVA) gedeeld, met de kop die er online boven stond: Hoe de autistische Thierry K. bij IS kwam.

Het is een eigentijdse kwestie. De gevoeligheid voor typeringen van mensen, zeker wanneer het gaat om een aandoening of beperking, is onmiskenbaar groter geworden, mede door campagnes van patiëntengroepen.

En zo zit de krant middenin het van origine Amerikaanse debat over person first-taal versus identity first taal. Voorstanders van het eerste onderstrepen dat mensen méér zijn dan hun aandoening. Zo zegt die huisarts: „Je kunt geen autist zíjn, je kunt wel autisme hébben.” Voorkeur geniet daarom de omschrijving ‘mensen met autisme’.

Dat is ook de lijn van de NVA. „Het woord autist als zelfstandig naamwoord is altijd stigmatiserend. Het bijvoeglijk naamwoord kan wel”, zegt een woordvoerder me. Autisme is geen digitale diagnose, maar een spectrum en omvat een zeer diverse groep mensen. In de VS is ‘eerst de persoon’-taal inmiddels overgenomen door de American Medical Association -wat nog niet wil zeggen dat journalisten eraan zijn gehouden.

Want zoals altijd met woorden: je kunt erover twisten. Zo vinden anderen in de autisme-wereld person first-taal juist onwenselijk, omdat die een kunstmatige scheiding aanbrengt tussen de persoon en diens autisme – alsof dat iets dat de betrokkene ‘ook nog’ heeft en waar hij of zij zonder zou kunnen of moeten. Zij geven de voorkeur aan identity-first taal. Dus eerst ‘autistische’, om duidelijk te maken dat de aandoening geen appendix is die eigenlijk zou moeten worden verwijderd, maar onderdeel is van iemands persoonlijkheid, met ook positieve kanten.

Op die lijn zit ook de stichting Samen Sterk zonder Stigma, die ter redactie al eens een presentatie gaf. Dezelfde boodschap: reduceer iemand niet tot zijn beperking. Het gaat om „gewone mensen, met een probleem”.

Waarbij je meteen moet aantekenen dat het probleem soms heel groot kan worden, levensbeheersend zelfs – dat bleek ook wel uit het aangrijpende relaas van Rueb over de verloren autistische Syrië-ganger Thierry.

De zaak is breder relevant, nu het people-first-beginsel niet alleen wordt bepleit bij aandoeningen maar ook bij andere verwijzingen naar identiteit, vooral als die beladen zijn of pejoratief gebruikt worden (zie het lot van het oude ‘allochtoon’ versus het nieuwe ‘mensen met een migratieachtergrond’).

Begrijpelijk, al heb ik er in het algemeen wel een kanttekening bij. Beschrijving van een mens met een zelfstandig naamwoord is nog geen complete identificatie, laat staan exclusieve. Een communist ‘is’ niet het communisme, een leraar valt niet samen met zijn lesgeven. Er zijn tientallen manieren om mensen te beschrijven, geen daarvan is uitputtend. Natuurlijk ligt dat gevoeliger bij woorden voor psychische aandoeningen - die als scheldwoord juist dienen om mensen bewust te kleineren en stigmatiseren.

Hoe stelt NRC zich op? Bij individuen is een trend te zien naar ‘autistisch’, bij groepen naar, bijvoorbeeld, „vrouwen met autisme” of „jongens met autisme”. ‘Autist’ telde ik dit jaar tot nu toe vier keer.

Een jaar eerder was dat dertien keer, onder meer in een Wetenschap-stuk. Maar dat betrof geanonimiseerde resultaten van medisch onderzoek, toch nog altijd iets anders dan de typering van een concreet individu.

Het zelfstandig naamwoord dook toen ook op in deze koppen: Een autist met een inwendig vulkaantje (boven een boekbespreking) en Literaire autisten en de autisten van het Binnenhof (boven een column).

Ik zou zeggen, kan dat gebruik van het woord, buiten elke medische context, nu niet eens ophouden, koppenmakers?

Nog een aspect. Ruebs verhaal ging om een mogelijk verband tussen autisme en radicalisering – ook dat ligt gevoelig. Acht jaar geleden hekelde psycholoog Douwe Draaisma in deze krant al de neiging om autisme in verband te brengen met misdaad.

Maar die kritiek gaat niet op voor Ruebs genuanceerde en aangrijpende verslag. Een lezer schreef: „Uit het artikel wordt duidelijk dat deze jongen inderdaad zo veel last heeft gehad van zijn aandoening dat die zijn doen en laten heeft bepaald.”

Inclusief het onbegrip.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

    • Sjoerd de Jong