De Marokkaanse veiligheidsdienst reist met me mee

Journalistiek in de Marokkaanse Rif is feitelijk onmogelijk. Correspondent Koen Greven mocht niet werken in Al Hoceima.

De boottocht van de Spaanse stad Málaga naar Melilla, een Spaanse exclave in Marokko. Foto José Colón

Het is een uur of elf ’s avonds als de Spaanse fotograaf José Colon en ik na een lange dag naar ons hotel gaan. De receptionist van Puerto Marino groet vriendelijk, maar op weg naar de lift houdt een man ons opeens tegen. Hij stelt zich voor als het hoofd van de veiligheidsdienst van Al Hoceima. „Jullie zijn toch journalisten? Mag ik vragen wat jullie hier komen doen? Ik zou graag jullie programma weten”, zegt hij op vriendelijke toon in gebroken Spaans.

Even gaat er van alles door mijn hoofd. Is dit serieus? Wie is deze man? Door wie is hij gestuurd? Hoe weet hij ons adres? Stommetje spelen heeft geen zin. Ik probeer rustig te blijven en leg hem uit dat we geen kwaad in de zin hebben. „Wij zijn hier om verslag te doen van de manier waarop Marokkaanse Nederlanders vakantie vieren in de Rif”, zeg ik en laat hem mijn internationale perskaart zien. Daar maakt hij direct een foto van. Als ik hem om identificatie vraag, verschijnt er een glimlachje op zijn gezicht. „Hou het maar op Mohammed”, antwoordt hij. „Jullie horen nog van mij.”

Mohammed is sneller terug dan verwacht. Om één uur ’s nachts gaat de bel. Hij is nog steeds de vriendelijkheid zelve, zegt ons verhaal heel goed te begrijpen en dat te zullen overbrengen aan de gouverneur en dat hij slechts boodschapper is. „Jullie hebben het geluk dat ze mij hebben gestuurd. Hier worden mededelingen ook wel eens door andere figuren en op andere wijze overgebracht.” Als ik vraag of hij een voorbeeld kan geven, blijft het stil. Weer verschijnt een lachje op zijn gezicht .

Dan komt hij ter zake. Zonder een speciale permissie van de provincie Al Hoceima mogen we hier niet werken. „Als jullie hier toch aan de slag gaan, zullen we jullie materiaal confisqueren en jullie het land uit zetten.” Om misverstanden te voorkomen herhaalt het hoofd van de veiligheidsdienst zijn boodschap in het Frans. Het is duidelijk. Ons bezoek is niet gewenst. Mohammed verontschuldigt zich en verdwijnt weer.

Na overleg met de chef buitenland zoek ik de volgende ochtend contact met de Nederlandse ambassade in Rabat. Dominique Kok, verantwoordelijk voor ‘pers en culturele zaken’, begrijpt het ‘probleem’ en belooft direct actie te ondernemen. Rond twee uur ’s middags komt de ambassade met een antwoord. „Volgens de Marokkaanse wetgeving hebben journalisten een vergunning nodig om hier te kunnen werken. Daar kunnen wij verder niet in treden. Van een speciale permissie voor Al Hoceima weten wij niets af. Als er wat vervelends gebeurt, kun je altijd ons noodnummer bellen.”

Op iedere straathoek een agent

Als we gaan ontbijten, wordt duidelijk dat iedere stap door geheim agenten gevolgd zal worden. Dat doet de veiligheidsdienst waarschijnlijk al sinds we bij de Spaanse exclave Melilla de grens zijn overgestoken. Mijn truc me aan te melden als ‘sportjournalist’ werkt dit keer maar ten dele. Met de eerste grensbewaker voer ik nog lachend een gesprekje over Marokkaans-Nederlandse voetballers. Dan gebaart een douanier dat ik mee moet komen. In een apart hokje worden al mijn gegevens genoteerd, inclusief mijn autonummerbord en het adres van het hotel in Al Hoceima. Ze wensen me een goede reis.

Via de stad Nador rijden we door de bergen naar ‘de Hollandse hoofdstad’ van de Rif. We hebben tal van afspraken voor verhalen; van een reportage over de reis van Marokkaanse Nederlanders tot een interview met een psycholoog over identiteitsproblemen van Riffijnse Nederlanders. En van een verhaal over vrouwenrechten tot een portret van Al Hoceima. We passeren vijftien politieposten en komen aan in een stad met op iedere straathoek een agent.

De sfeer is totaal anders dan toen ik hier vorig jaar kopstukken van de Hirak interviewde, de volksbeweging die de straat op ging om betere sociale omstandigheden te eisen. De autoriteiten sloegen de protesten hard neer en sloten de leiders en honderden inwoners van Al Hoceima op.

De PvdA-politici Lilianne Ploumen en Kati Piri waren niet welkom, media werden monddood gemaakt. Er is wel onderscheid tussen nationale en internationale journalisten: de Marokkaanse verslaggever Hamid el-Mahdaoui van nieuwssite badil.info kreeg onlangs drie jaar cel. Ik krijg van gouverneur Chourak nog de kans te vertrekken. Of zoals zijn boodschapper Mohammed zei: „Je hebt nog geluk gehad.”

Een paar dagen na ons vertrek legt Mohammed VI met zijn boot aan bij de stad waar onder zijn bewind de angst regeert. Bang voor protesten hoeft hij niet te zijn. De koning geniet er net als veel Marokkaanse Nederlanders tussen een leger van agenten van zijn vakantie op het strand.

    • Koen Greven