Recensie

Vroeger, ach vroeger blijkt lang zo onbezoedeld niet

‘Zonder chocoladebroodje ben ik geen mens hoor!’ roept Margot uit. Florence, die met haar op school heeft gezeten, krimpt ineen. Wat een vergissing om met deze vriendin naar Frankrijk te gaan. Ze slaakt gilletjes en informeert naar haar stoelgang.

In de verhalen in Diepe aarde, het debuut van Maria Vlaar (1964), draait het om gemis. Florence wil terug naar vroeger, haar prille jeugd, toen Margot de moedervlekken op haar rug telde in een tentje op Texel en alles nog gebeuren kon. Ach ja, de onschuld, de overgave, waar is het allemaal gebleven en wat vliegt de tijd.

Maar Vlaar schudt je wakker. Ze is geen zoetsappig verteller en komt, waar je er niet op bedacht bent, met nieuwe en onverwachte informatie. Vroeger blijkt lang zo onbezoedeld niet. Margot had als middelbare scholier een verhouding met de vader van Florence. Én ze trouwde met Florence’ eerste vriendje. Veel woorden worden er niet aan vuil gemaakt. De lezer kan zelf invullen hoe hopeloos verstoord de verhouding tussen deze twee vrouwen is.

Op zulke momenten doet Diepe aarde denken aan Roald Dahl: de schrijver plaatst een wegwijzer, de lezer bedenkt de hel die er was, is, of nog gaat komen, er zelf bij. In het verhaal ‘De ongeborene’ hebben de personages niet in de gaten dat alle alarmbellen rinkelen. Het verhaal is onheilszwanger en daarin nogal geestig.

Hoofdpersoon Jeroen heeft een winkel: Schoenmakerij Jeroen. Zijn vriendin Renske maakt er ‘L’atelier artisanal de Jeroen et Renske’ van. Ze hangen een nieuw naambordje op de deur. Meer naar rechts, gebaart ze. ‘Maar dat is niet meer in het midden’, protesteert hij. ‘Dat is het juist het leuke eraan’, zegt zij. O jee. In twee andere verhalen duiken Jeroen en Renske nog even op, als ouders van volwassen kinderen. Zo speelt Vlaar met de tijd.

Alles wat is, leidt tot gemis. De verhalen laten zich lezen als een pleidooi voor opmerkzaamheid. Een vrouw mist haar kinderen. Een ander haar flirtvermogens. Een wetenschapper het geloof in zijn theorie. Een dode zijn liefste. In beginsel is elk verhaal interessant. De bundel opent al sterk met ‘Persona’, waarin vluchtig wordt ingezoomd op mensen op een terras. Ieder krijgt zijn verhaal. In wat volgt zet Vlaar het inzoomen voort. Maar gek genoeg staan er ook een paar verhalen tussen waarin Vlaar haar subtiliteit verliest, zowel in de verhaalopbouw als in haar stijl. Ze schrijft bijvoorbeeld botweg over het dodelijk ongeluk dat iemand overkwam en dat dat ook bij zijn vriendin ‘iets definitief [heeft] kapotgemaakt’. Zo’n formulering is lelijk.

Elders wordt het in een poging satire te bedrijven flauw: de ‘PP’ (Populaire Partij) is aan de macht, en het ‘ministerie van Strijd tegen Elite’ laat hoogopgeleiden herscholen tot bijvoorbeeld schoonmaker. Ze hebben géén idee hoe je een wc boenen moet. Dit ligt er te dik bovenop. Maar gelukkig laat Vlaar het doorgaans juist fijnzinnig schrijnen.

    • Judith Eiselin