Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Speeltuin

Het was 57 graden en ik zat met twee kinderen in de speeltuin in het dorp Jisp. Normaal is daar niemand, maar opeens was de zomervakantie uitgebroken en krioelde het er van de vakantie-papa’s met kroost. Eentje, een vent in een blauwe zwembroek die vanwege een verjaardag zes kinderen onder zijn hoede had, vroeg me om hulp.

„Er zit er een in de glijbaan, ik ben bang dat hij springt. Let jij even op de rest?”

Had ik er ineens zeven.

Ze liepen alle kanten op.

Toen hij terug was met een schreeuwend knaapje aan de hand, vroeg hij of ik ook zo’n klotevakantie had.

Ik zei dat het voor mij geen vakantie was.

„Dit is mijn leven. Ik ben hier voor de lol.”

Ik keek achterom.

De oudste zat in een schommel, waar was die andere?

Meteen die paniek, dat struikelende rennen naar de plek waar ik de jongste voor het laatst had gezien. Ondertussen de opticien vervloekend – want wanneer, o wanneer Van Dijk Optiek, is mijn nieuwe bril nou eens klaar? – alsof die er wat aan kon doen.

O, daar zat ze, tussen de struiken.

Likkend aan een ander kind, gadverdamme.

Ondertussen hobbelde de oudste alweer richting waterkant. Ze was woedend dat ik haar ving.

In die toestand belde de vriendin.

Waar was ik heen gefietst? Toch niet naar het strand, want dan was het een kwestie van levend verbranden of verdrinken, dat wist ik toch ook wel? En had ik wel een drinkflesje meegenomen?

Het drinkflesje was kwijt.

Ik dreef ze naar de fiets, de gevoelstemperatuur zat nu tegen het kookpunt, waar ik ze zonder hulp nooit tegelijk op zou krijgen.

Een andere papa hielp, een camping-papa dit keer.

Hij zweette hevig.

Hij had er drie, zei hij onder zijn arm door kijkend, en adviseerde me om er een knoop in te leggen.

Hij hield de fiets vast, de jongste hing al, terwijl ik de om haar heen trappende oudste ook in haar zitje probeerde te frotten. Ze zaten in een bungalowtent, zei de camping-papa, het ding zat na twee dagen onder de spaghettisausvlekken die je er nooit meer uit kreeg.

„Dus de borg zijn we kwijt.”

Even later viel zijn dochter uit de schommel.

„Minimaal een tand door de lip”, constateerde hij.

Ik zag hem ernaartoe hobbelen.

Een paar honderd meter verderop werden ze weer rustig, dit was de laatste keer dat ik met ze naar deze speeltuin was gefietst en dat wisten ze zelf ook wel.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.

    • Marcel van Roosmalen