Kinderfolklore verstopt zich achter een flauwekulbarrière

Het verborgene

Deze zomer verkent de wetenschapsredactie ‘het verborgene’. Deze week: kinderfolklore, van raadsels tot Slenderman. Wat kinderen echt bezighoudt interesseert volwassenen meestal weinig. Dus zien ze het niet.

Illustratie Ralph Zabel

Raadsel: ‘wie kan hoger springen dan een berg? „Eeeeh. Hint!” „Ik weet geen hint.” „Eeeeeh…” „Iedereen! Want een berg kan niet springen.” „Huh, dat kan niet, een berg is groter dan een mens, gast!” Eindeloze uitleg. „Oh ja! Op de berg staan en dan springen!?” „Neeeeee…”

Welkom in de wereld van kinderfolklore. Deze raadselperformance van twee vrolijke jochies met een YouTube-account lijkt rommelig en willekeurig (het gaat een half uur door), maar past niettemin naadloos in de wijze waarop kinderen elkaar al eeuwenlang raadseltjes opgeven. De quasi-tv-imitatie van de twee laat zien hoe kinderen altijd al volwassencultuur naar eigen behoeften ombuigen. Klassieke elementen van het raadselritueel komen terug: de bazigheid van de raadselverteller, het voortdurend doorbreken én hernemen van de routine van vraag en antwoord, de onderhandelingen over het antwoord, het spel met taal. En als het kleine broertje ineens een protocol uit een ánder raadspelletje begint – ‘Is het een dier of een mens?’ – wordt dat volkomen genegeerd.

In landbouwsamenlevingen houden kinderen nog echte raadselwedstrijden, met héél precieze spelregels, lezen we in het hoofdstuk Riddles in het overzichtswerk Children’s Folklore. A source book (1999). In de steden zijn de raadselsessies van kinderen wel rommeliger geworden.

Straal genegeerd

Kinderfolklore is studie van kindercultuur die niet erg verborgen is, maar doorgaans wel straal genegeerd wordt door volwassenen. De grootste drempel voor zichtbaarheid is de triviality barrier: de muur van onbeduidendheid. Dat hun kinderen nieuwe woorden leren met raadsels, wordt door ouders of verzorgers misschien nog wel gewaardeerd, maar die melige grappen zelf… pff.

Het concept van deze ‘flauwekulbarrière’ is afkomstig van de grand old man van het Amerikaanse kinderfolklore-onderzoek Brian Sutton-Smith (1924 – 2015). Die onverschilligheid voor het gewone zie je terug in het verschil tussen kinderfolklore en kinderpsychologie, schrijft hij in het voorwoord van Children’s Folklore. A Source Book. Want de ontwikkelingspsychologie kijkt naar het schema van de kindertijd. Hoe kinderen hun wereld gaan begrijpen, en daarna grote stappen maken in sociale, cognitieve en morele ontwikkeling. Hoe dat schema in de dagelijkse praktijk uitpakt, wordt in het psychologisch onderzoek alleen belangrijk in extreme gevallen, zoals kindermishandeling, anorexia en autisme. Belangrijk, maar de kinderfolklore kijkt, haast als een obsessieve verzamelaar, juist wél naar dat rommelige, uitgelaten, bizarre en soms ook droeve kinderleven van alledag, schrijft Sutton-Smith: „De spookverhalen, de verbale duels, de obsceniteiten, de graffiti, de fopperijen, de grappen en parodieën, de doorvertelde legendes, het spelen met urine en poep, de rebellie, het spelen met vuur, het gooien met eten, de liedjes, de seksspelletjes, de vooroordelen, de speelprotocollen, de raadsels, de bijnamen, de zoenspelletjes, de gemenigheden, pesttrucjes, ….” enzovoorts.

Het zijn niet altijd vrolijke spelletjes in de kinderwereld. In sommige rituelen zoeken kinderen bewust grote risico’s op, zoals in verstikkingsspelletjes (waarover later meer). En wie moderne kinderfolklore wil zien die meestal écht verborgen blijft, moet op YouTube eens kijken naar ‘condom snorting’. Via de neus naar binnen, en door de mond er weer uit… Zoals Sutton-Smith het zegt in zijn inleiding: „Wat kinderen het állerleukst vinden, is vaak het extatische of het subversieve.”

Er zijn veel patronen en tradities te vinden in kindercultuur. Maar de wetenschap van de kinderfolklore is klein, en lijkt vooral Angelsaksisch. Zelfs het Meertens Instituut voor de studie van ‘het alledaagse leven in onze samenleving’ kon zo gauw geen Nederlandse kinderfolklorist bedenken. Terwijl ook in Nederland genoeg te onderzoeken is. Wat zouden bijvoorbeeld de voorgangers en opvolgers zijn van dit liedje dat jongetjes in de jaren negentig zongen, op de tune van de soapserie Goede Tijden Slechte Tijden? Het werd vooral gezongen op weg naar de gymzaal – „een van die eerste momenten dat het uitmaakt of je jongetje of meisje bent, bij het omkleden”, vertelt een huidige dertiger desgevraagd.

Goede tijden, slechte meiden,

’k stop ze in de wasmachien,

tien keer draaien,

naar de haaien,

hoef ze nooit meer teruuuuuug te zien.”

Eén blik in Elizabeth Tucker’s ‘Children’s Folklore. A handbook’ (2008) leert dat in ieder geval in Amerika dit soort liedjes in de loop van de decennia gewelddadiger lijkt te zijn geworden. In de jaren vijftig zongen kinderen op de wijs van de bombastische ‘Battlehymn of the Republic’ ook al over het afbranden van de school: ‘Mine eyes have seen the glory of the burning of the school / We have tortured all the teachers – we have broken all the rules’. Maar naar de onderwijzeres werd toen slechts met fruit gegooid: ‘I bopped her on the bean / with a rotten tangerine’. Midden jaren negentig werd dat ‘I met her in the attic / with a loaded automatic’ en ‘I met her at the bank / with a US-Army tank’.

Een andere, ook in Nederland populaire kindergewoonte is het ritueel om een klap uit te delen nadat je toevallig iets precies tegelijk hebt gezegd. Wie het eerst hard ‘Jinx!’ roept, mag slaan. Onderzoeker Jeffrey Howard (Idaho State University) onderzocht dit ritueel (Children’s Folklore Review Vol. 36, 2014). In de kinderwereld is een jinx allesoverstijgend, schrijft hij – ideaal om de volwassen orde te verstoren, bijvoorbeeld bij het avondeten. En met een jinx mag een klein kind – in theorie – ook een groter kind slaan. Even kan dit ritueel ongewone macht geven.

Het Engelse woord jinx betekent van oudsher ‘toverspreuk’, maar ook ‘iemand die ongeluk brengt’, meestal op een schip. Als naam van het ritueel duikt het in de jaren veertig op in de Verenigde Staten, als plaatsvervanger van een vriendelijker gewoonte om bij onverwachte koorspraak de pinken in te haken en een wens te doen. In de jinx-versie is één van de twee deelnemers dominant geworden. Hij of zij kan zelfs iets eisen: „Pinch, Poke, You owe me a coke!

Zou die omslag naar groter antagonisme misschien door de oorlog komen, vraagt Howard zich af. Maar dominantie en de-baas-spelen duiken vaak op in de kinderfolklore. De raadselopgever is óók even leider van de groep. In recentere tijden (2013) hoorde Howard van zijn nichtje een nieuw rijmpje: ‘The jinx-machine is out of order. Please insert another quarter!’ Een iambische tetrameter, realiseerde Howard zich. Die vorm geldt al sinds de zeventiende eeuw als klassiek ritme voor spot- en hoondichtjes. Hoe kwam die kleine Lydia dáár nou weer aan? Gewoon, van haar broertje die het weer van vrienden op school had. De dwang van de jinx is nooit groot. Zelden wordt een coke overhandigd, en ook Lydia kreeg echt geen quarter van haar broer. Gestompt wordt er meestal wel.

Niet alle kinderfolklore is zo uitgelaten. Elizabeth Tucker van Binghamton University in New York bestudeerde onder meer spookrituelen zoals het oproepen van Bloody Mary voor de spiegel, populair bij pre-pubermeisjes én studenten (zeg dertien keer Mary Wolf voor de spiegel in een donkere kamer, het spook dat verschijnt kan de toekomst voorspellen maar ook je gezicht openkrabben… ). De laatste jaren kijkt Tucker naar verstikkingsspelletjes en enger nog: de Blue Whale Suicide Challenge die sinds vorig jaar ouders over de hele wereld de stuipen op het lijf jaagt. In Texas en Rusland zouden tieners door dat ‘Walvisspel’ zelfs zelfmoord hebben gepleegd.

Altijd enge spelletjes

„Met internet is de verspreiding van dit soort gevaarlijke spellen enorm versneld”, zegt Tucker telefonisch. „De patronen zijn niet veranderd. Kinderen hebben altijd enge spelletjes gedaan waar hun ouders niets van wisten. Toen ik over verstikkingsspelletjes schreef, vroeg ik mijn zoon ernaar. Ja, eh, hij kende wel mensen die dat deden. Maar of hij het zelf ook gedaan had wilde hij nog altijd niet zeggen. Hij was al 32 toen!”

In de Blue Whale Challenge moet je de opdrachten van een ‘meester’ opvolgen, die steeds enger worden: horrorfilms kijken, heel vroeg opstaan, naar enge muziek luisteren, een blauwe walvis op je arm krassen en uiteindelijk van een gebouw afspringen. Vrijwel geen enkel kind gaat zóver, maar een enkele keer kán het dus uit de hand lopen, zegt Tucker. Zonder het meestal imaginaire extreme gevaar is het spel lang zo spannend niet.

Wasabi snuiven en condooms slikken, kinderen zijn dol op ‘challenges’

Om beter te begrijpen wat kinderen bezielt die dit soort vreemde spellen spelen (of: dit soort rituelen doen), verwijst Tucker naar het folklore-concept van ‘ostension’: verhalen worden niet alleen verteld, maar ook daadwerkelijk nagespeeld. Een spel met fantasie en werkelijkheid. Dat zie je vaak terug, in volwassen ‘cosplay’ bijvoorbeeld, maar ook in het naspelen van griezelverhalen in ‘spookhuizen’. In 2014 stonden de VS op hun kop toen twee twaalfjarige meisjes in Wisconsin bij zo’n enactment van het spookfiguur Slenderman een vriendinnetje neerstaken, dat maar ternauwernood overleefde. Tucker: „Ongelooflijk, verschrikkelijk. Maar als ze geen messen hadden gebruikt, maar gewoon gestompt hadden, was het helemáál niet zo bijzonder geweest. Een klassiek verhaalritueel, ouders merken daar weinig van.”

Zelfs de enge Blue Whale Challenge, waarover in Amerika zelfs beweerd wordt dat het Russische trollen zouden zijn die Amerikaanse kinderen aanzetten tot zelfmoord, past in de ‘traditionele’ neiging van kinderen om hun moed te willen tonen. Tucker: „Ineens schiet zo’n verhaalritueel over de triviality barrier! Maar als je die Blue Whale Challenge op YouTube-filmpjes van over de hele wereld bekijkt, zie je kinderen er met veel humor mee omgaan. Ze maken in de filmpjes vaak juist de angsten van hun ouders belachelijk. Er is heel veel parodie. Je ziet de oude patronen terug: kinderen maken andere kinderen bang om zo hun eigen angsten te overwinnen. Becoming the bogey heet dat, zélf de boeman worden: spookverhalen vertellen, verkleed langs de deuren gaan, zélf een enge pop ergens ophangen.”

Tucker bestudeert op internet niet alleen de filmpjes. „Het is ook interessant om mee te kijken in de commentaren. Je ziet er altijd een bepaald ritme terug van kinderen die erin geloven en anderen die erom lachen. De eerste zegt vaak: Cool! Dat wil ik ook doen. En de tweede gaat dan waarschuwen: dat is veel te gevaarlijk joh! De volgende lacht de tweede dan weer uit, dat-ie het veel te serieus neemt. Enzovoorts. Er zit heel veel omgang met de dreigingen in. Het is haast alsof je meeluistert op het schoolplein. Als kinderfolklorist zit je tegenwoordig dagen achter de computer! Ook [microblogging-website] tumblr is belangrijk geworden. Daar ontstaat nu een hele underground van kindercultuur, van muzieksoorten tot hekserij, met kinderen van over de hele wereld. Nou ja, voor de volwassenen is het underground. De kinderen zeggen: dit is gewoon wat wij doen.”

    • Hendrik Spiering