‘Je stuurt geen renner zomaar uit de Tour’

Valpartijen

De wonden van Peter Sagan werpen opnieuw de vraag op waar de grens van het toelaatbare ligt als wielrenners zwaar ten val zijn gekomen.

Groenetruidrager Peter Sagan stapte donderdag gewoon weer op zijn fiets nadat hij de dag ervoor met zeventig kilometer per uur was gevallen. Foto Peter Dejong/AP

Als Peter Sagan donderdag voor de start van de zeventiende etappe uit zijn teambus stapt, wil een fan met hem op de foto. Sagan stemt in, maar ziet dan in zijn ooghoek dat de man een arm om zijn rechterschouder wil slaan. In een reflex grijpt hij diens arm vast en duikt ineen, als door een wesp gestoken. Niemand die nu aan z’n lijf mag komen.

Zoveel pijn heeft hij dus na zijn zeldzame crash van een dag eerder, in de afdaling van de Col de Val Louron-Azet, met nog twee beklimmingen voor de boeg. Er zijn geen beelden van, maar Sagan kwam met verwondingen over de gehele rechterkant van zijn lichaam aan op de Col du Portet, de oogopslag hol, het gezicht wit uitgeslagen; geen schim van de alfaman die hij kan zijn. Zijn groene trui was zelfs op de rug kapot geschaafd. Naar eigen zeggen reed hij bijna zeventig toen hij een bocht verkeerd inschatte, het bos invloog en met zijn kont in de berm belandde.

Op röntgenfoto’s was geen breuk te zien, en zodra dat bekend werd haalde Sagan zijn schouders op: „Oh, it could be worse”. Aan een horde journalisten vertelde hij door te willen gaan, vier dagen verwijderd van zijn zesde groene puntentrui, evenaring van het record van de Duitser Erik Zabel. Maar de nacht die voor hem lag zou zwaar worden.

De volgende ochtend zitten zijn rechterbeen en -arm stevig ingepakt. Over de meeste wonden ligt een wittig laagje vloeibaar verband, zodat bewegen te doen blijft. Wat je ziet is een fractie van de ellende, zegt Sagans woordvoerder Ralph Scherzer. De meeste schade zit onder zijn wielerpak. „Hij is veel huid kwijt, heeft bloeduitstortingen. Normaal behandelen we dat met elektrische stimulatie, maar dat kan pas na 24 uur, als de beschadigde cellen tot rust zijn gekomen. Voor nu hebben we zijn wonden alleen kunnen verbinden. Hij heeft veel pijn, maar is oké.” Journalisten willen weten of hij zo wel kan sprinten. „I don’t know”, antwoordt Sagan.

Na een paar handtekeningen stapt hij als een oude man op zijn fiets om naar de start te rijden. Een ploegleider schermt zijn rechterflank af tot hij de menigte voorbij is.

Grens van het toelaatbare

De open wonden van Sagan werpen niet voor het eerst de vraag op waar de grens van het toelaatbare ligt als wielrenners zich door een valpartij ernstig hebben bezeerd. Zeker in de Tour de France lijken ze die nog net even wat verder op te rekken dan in andere wedstrijden. „De belangen van sponsoren zijn te groot”, zegt Toon Cruyt, sportarts in dienst van team Quick-Step. „Je stuurt niemand zomaar uit de Tour.”

Twee dagen daarvoor maakte een van de belangrijkste renners van zijn ploeg een doodsmak in de afdaling van de Col de Portet d’Aspet. Philippe Gilbert dook met zijn klokkenspel op de stang en zijn kin op het stuur naar beneden, kon een bocht naar links niet houden, en kukelde over een muurtje een paar meter omlaag. Met de hulp van fotografen krabbelde hij overeind, en terug in het zicht van tv-camera stak hij zijn duim op. Gilbert dacht zijn weg wel te kunnen vervolgen. Die avond bleek uit röntgenfoto’s dat hij zijn knieschijf had gebroken. Hij klom en daalde er nog 59 kilometer mee.

Cruyt pakt de foto erbij: te zien is dat een vijfde deel volledig los ligt van de rest van de schijf. „Met die kennis zou ik niemand laten opstappen, maar het leek mee te vallen. Hij stak zijn duim op en dan ga ik ervan uit dat het goed is. Bovendien stond ik op de finish en moest ik afgaan op het oordeel van de dokter in koers. Zij checken na zo’n crash of er hersentrauma is door te vragen of een renner zijn naam nog kent, welke dag het is. Had Philippe daar geen antwoord op geweten dan was het einde verhaal geweest. Maar als we iedereen die valt gelijk uit de wedstrijd halen, houden we geen renners meer over. En Philippe wilde graag door.”

Gekneusde nier

Dat Gilbert een harde is, bewees hij vorig jaar. Bij een val in de Amstel Goldrace kneusde hij zijn nier, maar won hij de wedstrijd. „Toen vond hij het ook niet nodig om naar de dokter te gaan. Hij moest een week in het ziekenhuis blijven”, zegt Cruyt. „Op zulke momenten vraag je je af of je niet eerder had moeten ingrijpen.”

Renners die vallen zitten aanvankelijk vol adrenaline en de vraag is of ze dan zelf bij machte zijn om te oordelen of ze verder kunnen of niet. Welbeschouwd is het bizar om door te fietsen met een gebroken knieschijf. Cuyt: „Thuis heb ik een mobiele echo. Ter plekke een scan maken zou kunnen, ware het niet dat daar tijdens de koers geen tijd voor is.” Zolang een renner weet wie en waar hij is, mag hij door. Dat is zo’n beetje de stelregel.

Curieus voorbeeld in deze Tour is de Texaan Lawson Craddock, gevallen in etappe één. Hij liep een barst in zijn schouderblad op, en kon volgens zijn dokter met die „stabiele breuk” door zolang hij geen gevaar zou vormen voor zichzelf of voor anderen. Dat was in het begin twijfelachtig. Craddock gaf aan zijn stuur amper vast te kunnen houden en volgens vader Tom, donderdag bij de start, had hij moeite met remmen. Zijn teamarts Richard Morgan: „We voerden voortdurend discussie. Was het verantwoord hem in koers te houden? Wij vonden van wel.”

Dat geldt duidelijk ook voor Peter Sagan. In de slotfase van de zeventiende etappe meldt hij zich op de eerste rijen van het peloton. Zijn ploeg trekt de sprint voor hem aan en de Slowaak kwakt zich door de straten van Pau. Maar in de laatste vijfhonderd meter komt hij snelheid tekort. Ook zijn lichaam trapt vanzelf op de rem.

    • Dennis Meinema