Tempo Doeloe? Nederlands-Indië was óók dood en verderf

Koloniale geschiedenis

Behalve een paradijs voor koloniale Nederlanders was het voormalige Nederlands-Indië vooral eeuwenlang het strijdtoneel van oorlog, geweld, dood, verderf, misdaden en excessen.

KNIL-soldaten op Malang bij gevangengenomen en gedode Indonesische strijders tijdens de Eerste Politionele Actie, 24 juli 1947. Foto Spaarnestad/Nationaal Archief/Dienst Legercontacten/Fotograaf onbekend

‘We gaan Soekarno vangen’, schreven de dienstplichtige militairen van de 7-December-divisie op de trein die hen naar de haven van Rotterdam bracht. In oktober 1946 arriveerden ze op Java, uiteindelijk ruim 18.500 soldaten, bijna allemaal van het geboortejaar 1925. ‘Onze jongens’ waren gemiddeld net boven de twintig. Deze eerste politionele actie was gericht tegen de republikeinse troepen die streden voor de vrijheid van Indonesië. Zij waren de ‘vijanden van orde en recht’ en de Nederlanders kwamen meer doen dan alleen president Soekarno vangen. Op de trein stond ook een leuze als: ‘Dood aan de peloppers’.

In de groots opgezette, nauwgezet gedocumenteerde studie Koloniale oorlogen in Indonesië. Vijf eeuwen verzet tegen vreemde overheersing van journalist Piet Hagen (1942) is de uitroep ‘We gaan Soekarno vangen’ in al zijn jongensachtige bravoure een verademing. In duizend bladzijden beschrijft Hagen het strijdtoneel van oorlog, geweld, dood, verderf, misdaden en excessen dat voormalig Nederlands-Indië óók is geweest.

Het aanvankelijke optimisme bij de Nederlandse troepenmacht verdween snel. De soldaten waren niet opgewassen tegen de guerrillatactiek aan Indonesische zijde. Feitelijk was het aantal militairen te klein om tot volledige pacificatie en herovering van Java te komen. Legerleiders schatten dat ‘200.000 man nodig waren gedurende een periode van vijf tot tien jaar’. Hoe zou Nederland dat op kunnen brengen, kort na de Tweede Wereldoorlog waaruit het beschadigd en verarmd te voorschijn was gekomen? Bovendien stond Nederland in de internationale politiek alleen. Het Britse leger, dat aanvankelijk meestreed, wilde zich zo snel mogelijk terugtrekken. Labour-premier Clement Attlee beschouwde het optreden van de Nederlanders in de kolonie als ‘intolerable’.

Slagveld bezaaid met lijken

In deze spannend geschreven passage uit Hagens boek komt het hele treurspel samen dat de Nederlandse koloniale overheersing kenmerkt. Het telkens opnieuw inzetten van militair geweld, de paternalistische houding, het isolement van Nederland in de nadagen van het kolonialisme en het onvermogen van legerleiding en regering om te accepteren dat het vrijheidsverlangen van de Indonesiërs diepgeworteld was. Al die vijf eeuwen lang.

Recent trok de oorlog die Nederland tussen 1945 en 1950 in Indonesië voerde nog de aandacht met de opzienbarende publicatie van Rémy Limpach De brandende kampongs van Generaal Spoor (2016), die bewees dat de Nederlandse militaire staf en soldaten zich schuldig maakten aan structurele oorlogsmisdaden.

Lees ook: Na zijn bekentenis op tv kantelde het beeld over Indië

Vanaf het vroegste begin, rond 1500, was er al verzet tegen West-Europeanen die in Azië handel dreven. Portugal, Engeland, de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, Spanje en Frankrijk aasden op de rijkdommen. Gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen verwoestte in 1619 Jakarta en herdoopte de stad tot Batavia. ‘Geen handel zonder oorlog’, luidde zijn overtuiging. Hiermee deed het krijgsbedrijf zijn entree in de archipel, met de oprichting van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) in 1814 als logisch gevolg.

Hagens studie is geïnspireerd door de Britse historicus Peter Carey, die in 2007 The power of prophecy publiceerde over de Javaanse prins Diponegoro. Tijdens de door hem geleide Java-oorlog tussen 1825 en 1830 vielen aan Javaanse zijde 200.000 doden en aan Nederlandse kant 15.000, onder wie veel Europese en Indonesische huurlingen. Hagen raakte geboeid door de koloniale oorlogen en kwam tot een lijst van 500 militaire acties tussen 1510-1975. Het ‘slagveld van de koloniale geschiedenis is bezaaid met lijken’, concludeert hij. Tienduizenden West-Europeanen verloren het leven, maar verreweg de meeste militaire en vooral burgerslachtoffers waren Indonesiërs, ‘ten minste drie à vier miljoen’.

Hagens weergave van de Japanse tijd barst uit zijn voegen van geweld, misdaden, uithongering, vernedering en gedwongen prostitutie in de burgerkampen.

De geweldsexcessen zijn van begin af aan verweven met de Indonesische geschiedenis. Generaal Van Heutsz maakte zich tijdens de jarenlang voortslepende Atjehoorlog (1873-1914) schuldig aan ‘lichtvaardige mensenafmakerij’. Zijn manschappen verminkten gevangenen en doorschoten huizen en kampongs, waarbij ook vrouwen en kinderen omkwamen. Bezwaar daartegen deed Van Heutsz af als lasterpraat en in het verweer liet hij zijn adjudant schrijven dat ‘ze even goed (konden) thuisblijven’ als we niet mochten vuren ‘als er vrouwen bij een bende waren’. Enkele decennia later zouden Nederlandse militairen dezelfde tactiek toepassen tijdens de vrijheidsoorlog. Brandschatten, kampongs doorzeven, martelen, verkrachten: het is een gruwelijke koloniale litanie, een geschiedenis van inktzwarte bladzijden.

Gedwongen prostitutie

Het perspectief van het boek ligt niet alleen aan de Nederlandse kant, maar ook en juist aan de Indonesische. Dat leerde Hagen van Carey. Opvallend is dat Hagen nergens oordeelt. Hij blijft afstandelijk, keurig de misstanden noterend uit een overvloed aan materiaal. Alleen al het doornemen van zeventig jaargangen Indisch Militair Tijdschrift (1870-1940) met vermelding van alle oorlogsmisdaden moet toch eens tot een emotionele weerklank leiden.

Lees ook: Indonesië heeft zijn eigen familie verloochend

Hagens weergave van de Japanse tijd barst uit zijn voegen van geweld, misdaden, uithongering, vernedering en gedwongen prostitutie in de burgerkampen. Maar leg daar eens een passage naast uit Geert Maks De eeuw van mijn vader (1999): ‘Ook mijn moeder [...] benadrukte later altijd dat veruit de meeste Japanse soldaten zich gedisciplineerd en correct jegens de opgesloten vrouwen gedroegen.’ Waar ligt het gelijk?

Hagen onthoudt zich van een oordeel, dat is jammer. Als lezer wil je ook graag de stem van de auteur horen. Uiterste nauwkeurigheid wint het van persoonlijke betrokkenheid. Het is jammer dat de presentatie van het gehele koloniale verleden voor de volle honderd procent gericht is op conflict. Dat is op den duur te eenzijdig en Hagen laat na het beeld ook maar één keer te nuanceren. Vooraanstaande schrijvers als Hella S. Haasse, F. Springer, Jeroen Brouwers, Rob Nieuwenhuys en Rudy Kousbroek ontbreken. Kennelijk passen zij niet in het beeld van de kolonie als oorlogsarena.

Hiermee is het boek vooral een met gusto geschreven encyclopedie van geweldsdelicten. In één aspect lijkt hij zijn persoonlijke visie te bepleiten. Het grootscheepse onderzoek door het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) naar excessen aan zowel Nederlandse als Indonesische zijde waartoe de regering opdracht heeft gegeven, lijkt Hagen niet te ondersteunen. Hij schrijft opeens verrassend korzelig dat die excessen er altijd al waren. Aan de Indonesische kant bestaat trouwens nauwelijks of geen onderzoek naar de misdaden, vergelijkbaar met de Nederlandse Excessennota uit 1970 met als veelbetekenende ondertitel Ontsporing van geweld.

In relatief korte tijd is het beeld van het koloniale Indonesische verleden 180 graden gedraaid. Indië is nu synoniem aan oorlog. De deconfiture is volledig en onthullend. De vraag is – en die blijft onbeantwoord – hoe de vele duizenden mensen die op welke manier dan ook een band met het voormalige Indië hebben met deze onttakeling van hun verleden om dienen te gaan.

    • Kester Freriks