Iets bitters in de Franse bodem

kiest gedichten uit vakantielanden.

Telkens als ik naar la douce France afreis (de afgelopen jaren om de zomer) krijg ik van mijn omgeving meelijwekkende blikken. Wereldwijd hebben de Fransozen een toch wat belabberde reputatie: ze heten kil te zijn, arrogant, onbeleefd. Ik vraag me soms af waar die mondiale afkeer vandaan komt, want de Fransen die ik ken zijn allen vrolijk en gezellig. Maar dat is mijn mening. Nu de rest van de planeet nog.

Wat die weerzin des te opmerkelijker maakt, is het feit dat er al eeuwenlang fantastische, vooruitstrevende literatuur vandaan komt. Niet alleen proza – van Flaubert tot Modiano – maar ook heerlijke poëzie. Baudelaire, Rimbaud, Valéry, het zijn er te veel om op te noemen (en dan tel ik de magistrale Breyten Breytenbach, die naast een Zuid-Afrikaans ook een Frans paspoort heeft, nog niet eens mee- de Franse poëzie heeft een topauteur als hij niet eens nodig). Ook de afgelopen jaren bloeit de dichtkunst aldaar, en een van de hoogvliegers is Albane Gellé. In haar gedichten tast ze de randen van de wereld af, onze vooroordelen erover en het deel dat onzichtbaar is maar dat we desondanks toch aanvoelen. Neem het vers hierboven: het draait om hoe we dingen niet-weten, althans, op een talig, rationeel niveau, en dat we ze desonkdanks wél ervaren. Dat Gellé de tragiek die daarmee samenhangt zo inzichtelijk maakt, is niet meer dan lovenswaardig. De machteloosheid van de man („in feite kan hij opstaan”), dat hij vanwege zijn zwijgen ook voor een boom of hond kan worden aangezien, dat hij zijn gebaren niet in de hand heeft: het is een tragedie die, door de afstandelijkheid waarmee hij wordt beschreven, nog beklemmender wordt.

Maar goed, daar excelleren de Fransen in: hun beste literatuur is beklemmend en tragisch. Camus’ L’étranger, Appolinaire’s Le pont mirabeau, zelfs Voltaire’s Candide is, ondanks al haar hilarische momenten, ook een verdrietige schets van de stupiditeit der mensheid. Er moet iets droefs en bitters in de Franse bodem zitten. Het sijpelt door in haar mensen en letteren. Het levert mooie vakantiefoto’s en literatuur op, en is meteen de aanleiding voor het imagoprobleem waar haar bevolking al eeuwen mee kampt. En hopelijk nog lang mee te stellen zal hebben, want het levert verdomd goede verzen op.

    • Ellen Deckwitz