Recensie

Eindelijk ziet de zoon wie zijn vader is

De verhouding tussen een gepensioneerde fysicus en zijn zoon is nooit echt intiem geweest. Dan besluiten ze op reis te gaan, in het spoor van de Odyssee.

Met de ondertitel ‘Een vader, een zoon, een epos’ is het autobiografische Een Odyssee verraderlijk simpel, maar ook treffend samengevat. De vader is Jay Mendelsohn, gepensioneerd fysicus, zijn zoon is behalve classicus ook de auteur van dit epos waarin een dubbele vader-zoonrelatie een rol speelt: Laërtes die rouwt om zijn verloren gewaande zoon en Telemachos die zijn vader, na diens twintigjarige afwezigheid, helpt bij het uitroeien van de vrijers van zijn moeder.

Mendelsohn staat op het punt een werkcollege over Homerus’ Odyssee te geven als zijn vader aankondigt het college te willen volgen. Als toehoorder, belooft hij. Maar al spoedig mengt hij zich volop in de discussie, ventileert hij zijn dwarse gedachten over Odysseus’ vermeende heldendom (‘hij is altijd aan het huilen!’) en krijgt hij, tot ergernis van zijn zoon, af en toe bijval van de studenten.

De verhouding tussen vader en zoon is, hoewel zorgzaam en begripvol, nooit echt intiem geweest. Daarom is het een dubieuze verrassing voor de docent dat veel van de studenten in hun evaluatie na het semester niet alleen zijn vaders scherpzinnigheid maar ook zijn hartelijkheid en betrokkenheid roemen: hij blijkt buiten de colleges om uitgebreid contact met velen te hebben gehad, zonder daar ooit zijn zoon in te kennen. En kort erna volgt dan voor de auteur een tweede verrassing: zijn vader, die nooit heeft willen reizen, stemt er in toe met hem in te schepen op een cruise ‘in het spoor van de Odyssee’. En ook op die boot ontpopt hij zich tot een ware gangmaker en charmeur.

Cliché in de populaire cultuur

De laatste hoofdstukken van dit boek zijn dan ook, vooral vanwege de nieuwe inzichten die Daniel over hem verwerft, verreweg het boeiendst en ontroerendst. Heel mooi is de ontwikkeling die volgt op de bekendmaking dat de laatste etappe van de cruise, naar Ithaka, ‘waar Odysseus zo legendarisch naar terugverlangde’, om logistieke redenen moet worden geannuleerd. In een even erudiete als gevoelige scène verweeft Mendelsohn dan de hieraan gerelateerde poëzie van Kavafis en Tennyson met de gesprekken met zijn vader. Ze gaan voorbij aan ‘wat een cliché in de populaire cultuur is geworden: dat de reis belangrijker is dan het reisdoel’ en doen zijn vader, vol berusting, beseffen dat ‘je reisdoel bereiken betekent dat het afgelopen is, betekent… een einde.’ Waarop de zoon concludeert: ‘Door Odysseus huis en haard niet te zien, hebben we het einde buiten de deur gehouden.’

Een rijk boek, niet alleen voor vaders en zonen. De auteur strooit schijnbaar achteloos met intrigerende opmerkingen als ‘onze ouders blijven raadselachtig voor ons op een manier waarop wij dat nooit voor hen zijn’. Daar valt over te discussiëren. Het enige bezwaar dat ik tegen Een Odyssee kan hebben is dat je al vanaf het begin weet dat beide verhaallijnen elkaar op een treffende wijze zullen raken, maar dat Mendelsohn te lang wacht met het zover te laten komen. Hij leunt iets te veel op de uitgebreide aantekeningen voor zijn werkcollege en de daar gevoerde discussies. Hier onttrekt de eruditie wat warmte aan het boek. Zelfs de aan de Odyssee ontleende techniek van het niet-lineaire vertellen, met vooruit- en terugblikken, neemt dit bezwaar niet weg.

    • Jan Donkers