Recensie

Een vrouw uitgespuugd door de aarde

Ali Zamir

Zijn debuut is een schreeuw om aandacht, en een protest tegen de onverschilligheid.

De debuutroman van Ali Zamir bestaat uit één zin van meer dan driehonderd bladzijden – een literair-technisch hoogstandje dat in de recente Franse literatuur onder meer Marie NDiaye en Mathias Enard eerder lieten zien. Beiden kregen voor een latere roman de Prix Goncourt. Geen wonder dat het debuut van Ali Zamir, nu vertaald, twee jaar geleden hét evenement was van de Franse rentrée.

De vertelster van Aal onder water heeft haast om haar verhaal te doen, ze raakt steeds meer buiten adem, de urgentie wordt steeds groter. Als lezer voel je de tijdsdruk oplopen, snel je langs de zinnen, en hap je – bij de komma en de witregel die af en toe als een vluchtheuvel opduiken – even naar adem. Meegezogen word je door de cadans van golvende zinnen. Nieuwsgierig ben je naar die vrouw die door de aarde is ‘uitgespuugd’ en door de zee wordt opgeslokt. Beelden jagen door haar hoofd, scènes die ze wil vangen om zich te herinneren hoe ze daar, in de golven die ‘als furieuze monsters’ over haar heen slaan, terecht is gekomen.

Aal heet ze, de zeventienjarige vrouw die zich midden in de oceaan vastklampt aan een jerrycan, terwijl haar vingers langzaam verkrampen. In een lange, meanderende monoloog laat ze haar leven voorbijtrekken. Ze houdt van ‘alige verhalen, ongewone verhalen die kronkelen als een aal’. Alleen die benaderen volgens haar de realiteit. ‘Alig’ klankspel is favoriet (paradoxaal, illegaal, schandaal).

Tegeltjeswijsheden

Aal (Anguille) vertelt over haar vader, de visser Weetal (Connaît-Tout), die alle kranten leest die hij op het strand vindt. Zijn ene dochter noemde hij Aal, want dat is een rustig en geduldig dier, dat zich ‘door zijn slijmerige huid overal doorheen kan slaan’. Zijn andere dochter, Adder (Crotale), is met haar naam goed geëquipeerd om zich het ‘schorem dat achter haar aanloopt’ van het lijf te houden. Weetal grossiert in tegeltjeswijsheden, Aal in levenslessen (‘De wereld is één grote klucht’, ‘Een zondvloed aan dromen is de dood in de pot’).

Weetal, ‘armzalige filosoof van de koude grond’ hoopt maar één ding: dat zijn dochters een ‘voorbeeld voor de hele nieuwe generatie’ zullen zijn.

Helaas – het loopt anders. Aal valt voor Veelvraat (Vorace), de knapste visser van de wijk wiens ‘huid glansde als die van een waterslang’, maar ook een alcoholist. Hij sleept haar ‘als een tonijn’ mee naar zijn kamer, waarna hij haar dumpt, zwanger en al. ‘Mannen zijn gewoon dommer dan vrouwen, het zijn beesten, ze lopen met hun tong uit hun mond achter hen aan’, denkt Aal, door schade en schande wijs geworden. Maar ook zij is erin getuind, opmaat voor een dreigende catastrofe in de Indische Oceaan.

De sfeer en de problematiek van Zamirs bijzondere debuutroman zijn ontleend aan de plek waar hij in 1987 werd geboren. Hij is, net als zijn vertelster, afkomstig uit Mutsamudu, de hoofdstad van Anjouan. Anjouan maakt deel uit van de Comoren, een eilandengroep in de Indische Oceaan, gelegen tussen Tanzania en Madagaskar. In 1975 riepen de Comoren de onafhankelijkheid uit, daarna volgde de ene staatsgreep na de andere.

Manuscript jarenlang geweigerd

De inwoners van het eiland Mayotte stemden ervoor opnieuw Frans te worden. Sindsdien proberen elk jaar duizenden eilandbewoners illegaal, over zee, Mayotte te bereiken. Mensenhandelaren proppen gammele boten vol mensen, het levert schrijnende taferelen op die we kennen van Afrikaanse migranten die via de Middellandse Zee Europa proberen te bereiken. Ook Zamirs vertelster, verstoten door haar vader, treft dit lot.

Zamir, zoon van een onderwijzer die bij verschillende vrouwen kinderen verwekte, werd opgevoed door zijn analfabete moeder die hem aanmoedigde te gaan studeren. Hij kreeg een beurs voor de universiteit van Caïro, waar hij een letterenstudie deed en begon te schrijven. In één jaar schreef hij Anguille sous roche, waarna het manuscript jarenlang door uitgevers werd geweigerd, totdat een kleine uitgeverij het accepteerde – met de literaire prijzen en het succes dat volgde.

Weer een Franstalige schrijver van buiten Frankrijk die het Frans vernieuwt, werd er gejubeld. ‘De Franse taal is geen eigendom van de Fransen’, zei Zamir in interviews, net als voor hem Amin Maalouf, Alain Mabanckou en Dany Laferrière, succesvolle auteurs geboren in respectievelijk Libanon, Congo-Brazzaville en Haïti.

De Aal uit Anjouan, het alter ego van Zamir, is een stijfkop die zich geen knollen voor citroenen laat verkopen, behalve door de man op wie ze verliefd is. Zamir bekritiseert – met name in zijn inmiddels verschenen tweede roman, Mon étincelle - de bekrompenheid van de politici van de eilandengroep, de corruptie, de uitzichtloosheid van de jeugd die een toevlucht zoekt in drank en geweld. Met zijn sociale engagement, zijn open blik, zijn betrokkenheid bij de ander en zijn oog voor de positie van de vrouw, treedt Zamir in de literaire voetsporen van Nobelprijswinnaar J.M.G. Le Clézio. Diens voorouders woonden op dat andere eiland in de Indische Oceaan, Mauritius.

Maar Zamirs debuut is vooral een schreeuw om aandacht, een protest tegen onverschilligheid en afstomping. Het is de magie van literatuur: hier wordt het algemene persoonlijk, krijgt het krantenbericht een gezicht: dat van Aal, die happend naar adem bijna kopje onder gaat.

    • Margot Dijkgraaf