De vette museumjaren van ‘kunstapostel’ Jean Leering

Jean Leering (1934-2005)

Dankzij Leering werd het Van Abbemuseum een grootse, avantgardistische instelling. Zijn latere kunstopvattingen deden hem vergeten.

Museumdirecteur Jean Leering.

Hij was de museumdirecteur die iedereen vergat. Edy de Wilde herinneren we ons, Rudi Fuchs, Jan Debbaut – ze hadden hun eigen pr uitstekend op orde. Maar dat de filosofisch angehauchte bouwkundige Jean Leering ook tien jaren directeur was van het Van Abbemuseum in Eindhoven - dat raakte na zijn vertrek in 1973 snel in de vergetelheid.

Leering (1934-2005) maakte na het Van Abbe een volgens kunstenaar Jan Dibbets ‘knettergekke’ overstap naar het Tropenmuseum in Amsterdam, waar hij maar twee jaar aanbleef. Bij beide musea was zijn vertrek niet vrijwillig, afgedwongen door verziekte werkomstandigheden, politieke en ambtelijke twisten over de te varen koers.

Men vergat gemakkelijk dat Leering vanaf 1963 – hij was nog geen dertig jaar – het Van Abbemuseum in tien, zoals hij dat zelf noemde, ‘vette’ jaren ontwikkelde tot een van de meest avantgardistische instellingen van Europa. Dat zijn aankopen (die vaak foutief Fuchs worden toegeschreven) visionair en met een subliem gevoel voor kwaliteit waren. Dankzij Leering is in het Van Abbe een collectie beroemde werken van toen nog jonge kunstenaars aangelegd: neonwerken van Dan Flavin, muurstapelingen van Donald Judd, Frank Stella, Manzoni, Fontana, Beuys. Daarnaast was het Leering die El Lissitzky’s abstract kosmonautische Prounenraum reconstrueerde en die oude modernisten als Van Doesburg en László Moholy-Nagy voor de vergetelheid behoedde.

Wat men het minst vergat (en vergaf), was dat Leering van het museum een soort sociale werkplaats wilde maken, met documentaire tentoonstellingen over cityvorming in Eindhoven en ‘de straat’. Kunst was voor Leering veel meer dan alleen een visuele belevenis. Kunst zei iets over denken en handelen van de mens in een maatschappelijke context. El Lissitzky zei iets over de in opbouw zijnde Sovjet-maatschappij. Frank Stella zei met zijn Tuxedo Junction iets over afscheid van het illusionisme. In de loop van zijn directoraat werd Leerings nadruk op de sociale relevantie van kunst steeds zwaarder. Het liefst zag hij kunstenaars de wijk ingaan, opbouwwerk verrichten en met bewoners discussiëren. De kunstwereld keerde zich van hem af. Het grote vergeten begon.

Hoe onterecht dat is, blijkt uit het net verschenen boek dat kunsthistoricus Paul Kempers (1960) aan hem wijdt. In ‘Het gaat om heel eenvoudige dingen’ volgt Kempers met name Leerings jaren in het Van Abbe op de voet. Hij doet dat met stilistische brille: precies, goed geïnformeerd en af en toe heel geestig. Vijf jaar lang begroef Kempers zich in archieven. Hij sprak met kenners, vrienden en vijanden van Leering. Een schat aan informatie sprokkelde hij bij elkaar, niet alleen over Leerings kunstopvattingen, maar ook over het naoorlogse culturele klimaat in Nederland. In de tijd dat Leering aan het roer van het Van Abbe stond, ontzuilde Nederland, werd het welvarender, maar begon ook de tegenbeweging. Dolle mina roerde zich, anti-Amerikanisme stak de kop op, de Club van Rome publiceerde Grenzen aan de groei. Uit de gesprekken die Kempers voerde met kunstenaars als Peter Struycken, Jan Dibbets, met verzamelaar Martin Visser, ex-medewerker Hein Reedijk, vriend en ontwerper Jan van Toorn stijgt het beeld op van een man die eindeloos discussieerde over de plaats van kunst in de samenleving. Niemand werd gespaard in dit soort discussies. Alles was altijd op het scherpst van de snede.

Kempers’ boek is een uitmuntende ideeëngeschiedenis van de mentaliteit in de tweede helft van de twintigste eeuw. Maar een biografie, zoals het boek pretendeert, is het niet geworden. Daarvoor is Kempers onvoldoende doorgedrongen tot de persoonlijkheid van Leering. Wie was deze ‘kunstapostel’, die monomaan doorwerkte, eindeloze monologen afstak, brieven van tien kantjes en meer schreef? Waarom stapte hij van het katholieke geloof af? In hoeverre werkte de slechte relatie met zijn vader door in zijn latere leven? Hoe keek zijn vrouw Wies van Moorsel tegen de toch eeuwig afwezige ‘drammer’ aan. En zijn kinderen – in een noot leren we dat Leering er twee had – waarom komen zij niet aan het woord? En dan hebben we het nog niet over Leerings zware gezondheidsproblemen na 1980. Lieten ze sporen achter, behalve fysieke?

In zijn nawoord geeft Kempers als verklaring dat bij Leering leven en werk geheel samenvielen. Maar dat is te eenvoudig gezegd. In een biografie komt ook het persoonlijke aan bod. ‘Het gaat om heel eenvoudige dingen’ is een mooi begin. Het wachten is nog op een even goede biografie.

    • Lucette ter Borg