Onderwijs

Universiteit Groningen kleedt het promoveren verder uit

Onderwijsblog Groningen trekt de arbeidsvoorwaarden en werkomstandigheden van promovendi overal in het land omlaag, schrijven vier promovendi.

ANP Koen van Weel

In een opinieartikel van 25 juli 2018 betogen drie medewerkers van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) dat het experiment met promotiestudenten het antwoord is op de problemen binnen het promotiestelsel. Het Promovendi Netwerk Nederland (PNN) blijft bezwaren hebben bij het aanstellen van student-promovendi en meent dat de berichtgeving vanuit de RUG een onjuist beeld creëert.

In Nederland zijn promovendi van oudsher universiteitsmedewerkers en geen studenten. De bezwaren van PNN tegen de promotiestudent zijn bekend. Deze bezwaren worden breed gedeeld, onder andere door de Raad van State en de Europese promovendikoepel Eurodoc. Ondanks deze bezwaren mocht de RUG in 2016 toch van start gaan met hun promotiestudent-experiment. In december bracht ze een zeer positief nieuwsbericht naar buiten. Ook het recente opinieartikel is een eenzijdige goednieuwsshow. Die berichten gaan voorbij aan de structurele problemen die in het systeem aanwezig blijven.

Allereerst is er het salaris. De auteurs onderkennen dat promotiestudenten minder betaald krijgen dan gewone promovendi. Vermeld wordt niet om hoeveel geld dit gaat: uiteindelijk zo’n 20.000 euro (!) over vier jaar ten nadele van de promotiestudent. Daar staat echter volgens de auteurs “grotere sociale zekerheid” tegenover. Dit is pertinent onjuist. Promotiestudenten genieten minder sociale zekerheden dan promovendi die werknemer zijn. Ze vallen niet onder de CAO, genieten geen ontslagbescherming en bouwen geen pensioen op. Vreemd genoeg blijkt uit het eerste evaluatierapport van het experiment (dat overigens niet algemeen beschikbaar is) dat er geen onderzoek is gedaan naar de tevredenheid van de promotiestudent met hun juridische positie.

Minder WW

Opvallend genoeg kunnen promotiestudenten aan de RUG wél aanspraak maken op ziekte- en zwangerschapsverlof en een WW-uitkering (die overigens wel fiks lager ligt dan bij promotiemedewerkers, vanwege het lagere loon). Bovendien betalen ze loonbelasting. Dit is een sterke indicatie dat ook de RUG deze groep promovendi als medewerkers beschouwt. Studenten hebben die rechten en plichten normaal gesproken namelijk niet. Het doel van het promotie-experiment was om promotiemedewerkers met promotiestudenten te vergelijken. In plaats daarvan lijkt het er sterk op dat er tweederangs promotiemedewerkers zijn gecreëerd, die vooral voor de universiteit goedkoper zijn.

Maar, zegt de RUG, er zijn nog twee voordelen voor promotiestudenten. Ten eerste hebben ze meer vrijheid in het kiezen van hun onderwerp. Echter, aan veel andere universiteiten hebben werknemer-promovendi deze vrijheid ook. Ten tweede zouden promotiestudenten in een speciale leerlijn beter worden voorbereid op een carrière buiten de wetenschap. Het PNN is groot voorstander van zo’n leerlijn; slechts een deel (zo’n 20 procent) van de promovendi gaat immers door in de wetenschap. We zijn ook blij dat deze leerlijn eveneens openstaat voor werknemer-promovendi aan de RUG. Ook werknemer-promovendi moeten immers goed voorbereid worden op een carrière buiten de wetenschap. Daarom zijn dit ook geen argumenten om promovendi hun werknemersstatus te ontnemen.

Ten koste van andere universiteiten

Het experiment met promotiestudenten lijkt al met al niet te draaien om een verbeterd promotietraject. Waarom wil de RUG dan toch zo graag studentpromovendi? Het antwoord lijkt simpel: het gaat om geld. De schrijvers merken op dat de kosten van een promotietraject hoger liggen dan de huidige overheidsbijdrage van 77.400 euro per proefschrift (de zogeheten promotiepremie). Dat klopt. Wat de schrijvers echter niet vermelden, is dat deze promotiepremie een paar jaar geleden nog bijna een ton bedroeg. Het totale landelijke budget voor promotiepremies is echter in 2016 gemaximeerd, om de promovendus als verdienmodel een halt toe te roepen. Als er nu landelijk steeds meer proefschriften worden afgeleverd, wordt de overheidsbijdrage per proefschrift steeds lager. Door de introductie van promotiestudenten worden de kosten per proefschrift-traject lager en kunnen universiteiten toch op promovendi blijven verdienen. Dit lijkt de gedachte van de RUG. Het is echter een kortzichtige insteek: door in te zetten op steeds méér promovendi, zijn universiteiten er zelf debet aan dat ze per proefschrift steeds minder overheidsfinanciering ontvangen.

De schrijvers van de RUG stellen dat de goedkopere promotiestudent nodig is vanwege de groeiende maatschappelijke vraag naar promovendi. Laat de maatschappij en de overheid dan ook dit probleem oplossen. Door het achterhaalde bekostigingssysteem wordt het probleem bij de universiteit gelegd, met verkeerde keuzes tot gevolg. Zo zal de RUG de komende tijd meer promotiepremies binnenhalen ten koste van andere universiteiten, ten koste van de betrokken promovendi, en mogelijk zelfs ten koste van de bestendigheid van het Nederlandse, nu nog kwalitatief hoogwaardige, promotiestelsel.

Anne de Vries (Tilburg University), voorzitter Promovendi Netwerk Nederland (PNN)
Marten van der Meulen (Radboud Universiteit Nijmegen), PNN bestuurslid arbeidsvoorwaarden
Reinder Broekstra (Rijksuniversiteit Groningen), PNN bestuurslid kwaliteitszorg
Rens Philipsen (Technische Universiteit Delft), PNN bestuurslid internationale zaken