Recensie

Minder kansen door zijn afkomst? Hij kon het niet uitstaan

J.R. Thorbecke (1798-1872)

Hoe werd Thorbecke wie hij was, en waarom is hij gaan denken zoals hij dacht? Een voortreffelijke biografie over een grote staatsman met daden- en vernieuwingsdrang. (●●●●●)

Thorbecke geschilderd in 1852 door Johan Heinrich Neuman (collectie Rijksmuseum)

Voor je populariteit als politicus hoefde je het in Thorbeckes tijd niet te doen, Thorbecke deed het wel: de man die vanaf halverwege de negentiende eeuw drie kabinetten leidde en geldt als de bedenker van onze parlementaire democratie, hield elke zaterdag spreekuur voor burgers. Bijna tot aan zijn dood in 1872, hij was 74 jaar. Al voelde hij zich toen al een tijdje ziek en vond hij sinds het overlijden van zijn vrouw Adelheid Sorger, twee jaar eerder, dat zijn eigen leven ook voorbij was.

Het is alleen lang niet zeker of het veel uitmaakte dat hij de zorgen en wensen van burgers kende. In de mooie, goed geschreven biografie Thorbecke wil het laat hoogleraar geschiedenis Remieg Aerts (1957) zien hoe Thorbecke als twintiger nog hevig twijfelt en diep nadenkt. Over zichzelf, de geschiedenis, zijn eigen tijd. Maar ook dan al maakt hij op zijn vader Frederik een hooghartige indruk.

Als hij hoogleraar is geworden, en daarna politicus, hebben mensen in zijn omgeving al helemaal niet meer het idee dat hij af te brengen is van zijn eigen opvattingen. Met zijn enorme dadendrang en dwingende, voor veel mensen intimiderende persoonlijkheid bepaalt hij voor een belangrijk deel de Nederlandse politiek in de negentiende eeuw – en daarna.

Tegen het eind van het boek omschrijft Aerts het zo: ‘Hij was eigenlijk altijd al een standbeeld op een sokkel, waar men omheen mocht gaan staan.’ Wat heb je bij zo’n politicus te zoeken als je schipper bent, of arts, rector van een school, ingenieur, officier in het leger?

Tegen het eind van het boek weet je als lezer zo goed als zeker ook: zonder zijn overtuigingskracht, zelfverzekerdheid en volgens Aerts ‘bijna autistische steilheid’ zou Thorbecke nooit gedaan hebben gekregen wat hij gedaan kreeg. Dat de koning macht inleverde, de Tweede en Eerste Kamer er macht en invloed bij kregen en Nederlanders vrijer werden – in hun meningsuiting, de mogelijkheden om zichzelf te organiseren, het onderwijs, de kerk.

Lees ook: NRC checkt: ‘Thorbecke was tegen benoemings­wijze burgemeester in Grondwet’

De biografie laat zien hoe Thorbecke werd wie hij was, waarom hij is gaan denken zoals hij dacht. En ook hoe hij was als zoon en broer, als de man van Adelheid en als vader van zes kinderen: liefdevol en veeleisend. Zijn jongste kind stierf als baby, de twee oudste zoons Herman en Rudolf wilden aan Thorbeckes strenge blik ontsnappen en gingen varen. De ene overleed onderweg aan dysenterie, op zijn zeventiende. De ander, 21 jaar oud, aan tyfus.

En al noemt Aerts Thorbeckes rechtlijnige karakter misschien net iets te vaak, hij beschrijft ook heel precies in welke overgangstijd in Europa de ‘burgerman’ uit Zwolle wetenschappelijk en politiek carrière maakt. En hoe het allemaal net zo uitkomt – ook door het privéleven van koning Willem II, die werd gechanteerd en in 1848 zijn zoon Alexander verloor – dat Thorbecke voorzitter wordt van de commissie die de Grondwet zou herzien en later als eerste minister vorm geeft aan de nieuwe politiek.

Afgewezen als hoogleraar

Als Thorbecke op zijn zesentwintigste aan een Duitse universiteit werkt als privaatdocent, onbetaald, schrijft hij het filosofische essay Ueber das Wesen und den organischen Charakter der Geschichte. Volgens Thorbecke valt nooit te voorspellen hoe instituties zich ontwikkelen of welke tendens in de geschiedenis zal overheersen. Of juist verdwijnt. Het is ook niet te zeggen, schrijft hij, welke taak een persoon, generatie of volk precies heeft in de geschiedenis. Het hangt volgens hem af van hun ‘levens- en vormkracht’ en van wat ze zelf denken te kunnen.

Er waren volgens Thorbecke wel eens generaties achter elkaar niet vernieuwend genoeg en dan haalde de geschiedenis dat later in, bijvoorbeeld door een revolutie. Het was volgens hem ook schadelijk om vernieuwing te onderdrukken of ‘het heden’ onder dwang terug te brengen naar een tijd die al voorbij was.

Het is alsof hij dan al schrijft over zichzelf als de liberale politicus die hij pas zo’n twintig jaar later zou worden: met een ‘taak in de geschiedenis’, een grote vernieuwingsdrang en een afkeer van de elite die zoveel mogelijk bij het oude wilde laten. Die afkeer had ook te maken met zijn eigen positie. Thorbecke kwam uit een familie van ondernemers, van Duitse komaf. Door de elite werd hij gezien als een overijverig en ambitieus burgermannetje.

Nederland, vindt Thorbecke, heeft de kans op ‘versch bloed in de aderen’ voorbij laten gaan, door geen nieuwe klasse toe te laten tot het bestuur.

Thorbecke kan het niet uitstaan dat hij door zijn afkomst en gebrek aan familiekapitaal minder kansen krijgt dan anderen. Als hij denkt dat hij ergens hoogleraar kan worden, wordt hij afgewezen of genegeerd. Op zijn zevenentwintigste lukt het toch – in Gent. Het heeft wat hem betreft dan al veel te lang geduurd. ‘Hij is niet eens meer blij’, schrijft Aerts.

Net voordat hij in de jaren veertig de politiek in zou gaan, Thorbecke is dan hoogleraar economie en statistiek in Leiden, schrijft hij in De Gids hoe de Franse revolutie Frankrijk en andere Europese landen had veranderd. ‘In Frankrijk werd de stroom der volkskracht vrij, en een nieuwe Staat kwam daaruit tevoorschijn.’ Nederland, vindt Thorbecke, heeft de kans op ‘versch bloed in de aderen’ voorbij laten gaan, door geen nieuwe klasse toe te laten tot het bestuur. Hij ziet vooral middelmatige en brave mensen, ‘groot in kleinigheden’. En zonder lef.

Tot aan het eind van zijn studietijd was Thorbecke het belangrijkste ‘project’ geweest in het leven van zijn vader Frederik. Zelf had Frederik Thorbecke nooit een studie afgemaakt of een baan gevonden, hij onderhield zijn gezin van geleend geld. Met zijn zoon Johan Rudolf, die als kind al opviel door zijn intelligentie, moest het helemaal anders gaan. Hij liet hem hard studeren en gedisciplineerd leven. Aerts beschrijft hoe Thorbecke als student in Amsterdam en Leiden zo serieus mogelijk deed wat zijn vader per brief van hem vroeg.

Thuisonderwijzer? Liever staatsman

Daarna verloor Frederik Thorbecke zijn grip. Want hoe hoog de verwachtingen ook waren die hij had van zijn zoon, Johan Rudolf verwachtte van zichzelf nog veel meer. Het leek Frederik een goed idee als zijn zoon gouverneur zou worden van een jongen van adel. Die kans deed zich voor en volgens Frederik Thorbecke was de jongen door zijn afkomst voorbestemd om staatsman te worden. Dan was het toch eervol om gouverneur te zijn? Dat zijn zoon zelf staatsman zou kunnen worden, kwam niet in hem op.

Thorbecke liet aan zijn vader weten dat zo’n baan als ‘veredelde huisonderwijzer’ niet paste bij wat hijzelf in gedachten had. ‘Hij had weinig talent voor dienstbaarheid’, schrijft Aerts. Hij leefde ook al in een andere tijd. ‘Zijn vader was een man van de milde, moralistische en sociabele Verlichting. Hijzelf behoorde tot de strijdbare en compromisloze Romantiek en tot de nieuwe tijd van ijzer en stroom.’

Als hoogleraar in Gent dacht Thorbecke na over de industrialisatie en de armoede onder het volk die daar het gevolg van kon zijn. En bijvoorbeeld over de openheid die bestuurders volgens hem dringend nodig hebben. Zelfs van onterechte of onredelijke berichtgeving konden ze in de ogen van Thorbecke nog wat leren.

Hij vond ook dat de protestantse meerderheid in Nederland onnodig wantrouwend was over de katholieken – die werden gezien als gevaarlijk. Volgens Thorbecke was het juist die houding die leidde tot verzet in het zuiden van Nederland. Aerts schrijft: ‘Zijn analyse was dat het zuidelijk katholicisme, als het gewoon aan zichzelf was overgelaten, zich langzamerhand wel zou schikken. Op den duur zou het zelfs slijten, want de ontwikkelde bovenlaag was al bepaald niet meer streng in de leer.’

Pas op voor gevaarlijke arbeiders

Remieg Aerts benoemt niet dat zulke gedachten net zo goed kunnen slaan op ontwikkelingen van nu. Zijn boek zal daardoor nog steeds leesbaar zijn als op een dag, wie weet, het idee van nepnieuws achterhaald is. De vroegere VVD-leider en oud-burgemeester Jozias van Aartsen, die de biografie op dit moment leest, haalde Thorbecke vorige week wél naar deze tijd. In het AD begon hij over de liberale voorman – en zijn omgang met de katholieken, die zich door hem beschermd voelden. Thorbecke, zei Van Aartsen, ‘trok zich geen moer aan’ van het idee dat katholieken te veel in Rome en de Paus zouden geloven. Zo moet de VVD dat volgens Van Aartsen nu ook doen met moslims, ook als die strenggelovig zijn. ‘Als je continu zegt ‘‘jullie deugen niet” werkt dat ontwrichtend.’

Aerts noemt Thorbeckes analyse over de industrialisatie ‘premarxistisch’, maar stelt ook vast dat Thorbecke niet met een oplossing kwam voor de armoede die hij vreesde. Volgens Aerts had dat te maken met Thorbeckes eigen ‘standsbesef’: armen en arbeiders hoorden bij de ‘dienstbare stand’ en konden zomaar veranderen in een gevaarlijke massa.

Het waren ook vast en zeker geen armen of arbeiders die hij als eerste minister ontving. Door zijn grondwet van 1848 werden Tweede Kamerleden rechtstreeks gekozen en niet meer via districten, maar kiesrecht was er alleen voor mannen van boven de 23 jaar die een minimumbedrag aan belastingen betaalden.

Al vernieuwde Thorbecke de politiek drastisch en blijvend, het was ook nog gewoon de negentiende eeuw. Toen hij in het voorjaar van 1872 steeds zieker werd en het benauwd kreeg, moest hij van zijn arts spoelen met water en wijn, chloor inademen, een glas zuivere wijn drinken. En ezelinnenmelk. Het hielp allemaal niet. Hij stierf aan een longontsteking.

    • Petra de Koning