Recensie

In Frankrijk was het modernisme een avontuurlijk feest

Design

Een geweldige expositie in Parijs laat zien hoe vooruitstrevend het Franse design rond de jaren dertig kon zijn. Anders dan Nederlanders en Duitsers kozen ze niet voor strakke zakelijkheid, maar maakten ze van hun ontwerpen een feest.

Sonia Delaunay in haar auto, 1925. Het dessin van de auto is door haar ontworpen, net als de jurk die het model draagt. Foto Centre Pompidou

Een luikje scheelt zestig kilometer lopen, zo is te zien op UAM. Une aventure moderne in het Centre Pompidou in Parijs. Een van de films op deze schitterende monstertentoonstelling over de architecten, décorateurs en schilders van de Union des Artistes Modernes (UAM, 1929-1959) maakt duidelijk hoe de architecten van de Cité de la Muette, een modernistische woonwijk uit 1934 in de Parijse voorstad Drancy, het leven van de huisvrouw minder vermoeiend wilden maken met uitgekiende woningplattegronden en slimmigheden. Vader zit al aan tafel die de dochter aan het dekken is en dan schuift moeder het eten vanuit de efficiënt ingerichte keuken door een doorgeefluik de eetkamer in. Hierdoor hoeft ze jaarlijks nog maar 35 in plaats van 95 kilometer te lopen om het eten op tafel te krijgen, zo wordt aan de hand van looproutes door haar woning uitgelegd.

Cité de la Muette, Drancy (1931-34). Ontworpen door Eugène Beaudouin en Marcel Lods. Foto Centre Pompidou

Een ‘modèle de la modernité’ wordt de Cité de la Muette kortweg genoemd op expositie. Dat klopt: de tien blokken en vijf torens met gevels van geprefabriceerde betonplaten is het eerste van de nu beruchte ‘grands ensembles’ waarmee de banlieues van grote steden na 1945 werden volgezet. Wat de makers van UAM niet vertellen, is dat er ondanks de handige doorgeefluikjes maar weinig Fransen in de door Marcel Lods en Eugène Beaudouin ontworpen Cité de la Muette wilden wonen. Al enkele jaren na de oplevering werd het door leegstand geteisterde complex daarom in gebruik genomen als kazerne. In de jaren 1941-1944 deed de wijk dienst als het concentratiekamp Drancy, van waaruit 65.000 Joodse Fransen zijn weggevoerd naar de Duitse vernietigingskampen. Na de oorlog volgde de afbraak van de vijf torens, die bij oplevering nog waren bezongen als de ‘eerste moderne wolkenkrabbers’ van Frankrijk.

Klapstoel van Jean Prouvé (1929, rechts) en tuinstoel van Pierre Chareau (1931) en wandtapijt van Fernand Léger (1930)

Zonder manifest

De beladen en duistere geschiedenis van het eerste grand ensemble past dan ook niet in wat Pompidou duidelijk wil maken met de tentoonstelling: dat naast Duitsland en Nederland Frankrijk een van de hoofdbronnen is van het modernisme in de vormgeving en architectuur.

Dat de UAM buiten Frankrijk niet zo bekend is geworden, komt doordat de Unie geen hogeschool was zoals het Bauhaus en, anders dan De Stijl, ook geen tijdschrift had, zo valt te lezen in het voorwoord van de catalogus. Zelfs een manifest of een beginselverklaring had de UAM nooit voortgebracht. Maar het tekort aan teksten en theorieën werd ruimschoots gecompenseerd door de vele tentoonstellingen tussen 1929 en 1959, waarop de UAM-leden, van Le Corbusier tot Robert Mallet Stevens en van Charlotte Perriand tot Jean Prouvé, lieten zien hoe ze de beginselen van het modernisme toepasten.

Keuken van Le Corbusier (1953) voor de Unité d’ Habitation in Marseille.

Om de bezoekers van het belang van de UAM te overtuigen hebben de tentoonstellingsmakers een diepe duik in de geschiedenis genomen. In de eerste ruimtes is nog geen spoor te bekennen van de Franse pioniers van het modernisme. Ze staan vol prachtig belichte interieurs met veelal bonte meubels, tapijten, glaswerk en behangsels van ‘décorateurs’ als Francis Jourdain die hun werk bijna ieder jaar tentoonstelden in de Salon d’Automne, de ‘salon’ die in 1903 werd opgericht voor het tonen van (toegepaste) kunstwerken waarvoor geen plaats was in de aloude, conservatieve Salon de Paris.

Interieur van Francis Jourdain uit 1920.

Ook de architectuur van protomodernisten als de gebroeders Perret krijgt, met foto’s, tekeningen en films, ruim aandacht in die eerste zalen van de expositie. Werk van Picasso, Henri Matisse, Kees van Dongen en andere schilders die op de Salons d’Automnes tentoonstelden hangen tussen de meubels en maken UAM. Une aventure moderne tot een perfecte, alomvattende tentoonstelling.

Woonmachine

Paviljoen voor de Wereldtentoonstelling in Parijs van 1925, ontworpen door Robert Mallet Stevens. Foto Centre Pompidou

Pas halverwege, na een flink aantal interieurs die een geleidelijke versobering van de vormgeving en architectuur laten zien, zijn de UAM-leden aan de beurt. Om het baanbrekende karakter van hun interieurs en gebouwen te beklemtonen worden ze op de tekstbordjes herhaaldelijk omschreven als ‘radicaal’, ‘functionalistisch’ en ‘minimalistisch’. Maar wat de meubels, interieurs en gebouwen van de Franse modernisten nu juist laten zien is dat die zelden louter ‘zakelijk’ en ‘rationeel’ waren: Zelfs de ‘radicaal’ Le Corbusier, die het huis eens een machine à habiter, een woonmachine, had genoemd, deed aan de tekentafel heel iets anders dan hij predikte. Dan beoefende hij het „magnifieke spel van volumes onder het licht”, zoals hij architectuur eens definieerde.

Ook de villa’s van Robert Mallet Stevens, zoals de Villa Noailles in Hyères uit 1927, waren verre van zakelijk en kaal maar juist rijk en overvloedig en verraden vaak de invloed van de Art Déco. Mallet-Stevens was ook niet het enige UAM-lid dat vaak schilders betrok bij de vormgeving van de interieurs. Ook in de laatste zalen van Une aventure moderne duiken steeds weer werken op van schilders als Robert Delauney en Fernand Léger die er mede voor zorgden dat het Franse modernisme veel avontuurlijker en feestelijker was dan het Duitse Neues Bauen.

Stoel van André Bloc uit 1951 (rechts) en het schilderij ‘Pulpe’ van Edgar Pillet uit 1953.
    • Bernard Hulsman