Opinie

    • Michel Krielaars

Nederlandse tolerantie? Noem het liever koele calculatie

Op zoek naar houvast in een tijd van nepnieuws, las ik de nieuwe artikelenbundel Daverende dingen dezer dagen van H.L. Wesseling. Voor de waarheid kun je tenslotte het beste te rade gaan bij een erudiet historicus als hij, die de feiten kent en zich niet door de emotiecultuur laat meeslepen. Zo schrijft Wesseling in het artikel ‘Schuld en boete’ dat hij grote struikelblokken ziet opdoemen als het gaat om het betalen van schadevergoeding aan de nazaten van de slachtoffers van het koloniale verleden. Alleen al omdat bij de slavenhandel drie partijen betrokken waren: de Afrikaanse handelaren die de slaven leverden, de westerse handelaren die ze opkochten en vervoerden, en de plantagehouders in Brazilië, Noord-Amerika en het Caraïbisch gebied die ze afnamen. Van die drie partijen resteert niets en niemand meer, dus wie moet je in hemelsnaam de ‘schuld’ geven en voor de kosten laten opdraaien?

Eenzelfde moeilijkheid doemt op sinds de rechter heeft bepaald dat aan de weduwen van de slachtoffers van kapitein Westerling in Indonesië een schadevergoeding moet worden uitgekeerd. Zoiets betekent volgens Wesseling niet dat nu ook de nabestaanden van de slachtoffers van Jan Pieterszoon Coen of de Atjeh-oorlog smartengeld krijgen. Hij trekt daartoe een vergelijking tussen de door de aardgaswinning benadeelde Groningers, die wél schadevergoeding krijgen, en de Brabanders, die geen cent ontvangen voor het leed dat hun als rechteloze inwoners van een wingewest door de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden is berokkend.

Witte de With is’‘besmet’

Nu Jan Pieterszoon Coen geen straat, plein of school meer naar zich vernoemd krijgt en het Rotterdamse kunstencentrum Witte de With op zoek is naar een minder ‘besmette’ naam, is het ook goed om Wesselings artikel ‘Cultuur en beschaving. Oude en nieuwe begrippen’ te lezen. Hierin maakt de Leidse historicus korte metten met de traditie van tolerantie waarop veel Nederlanders zich altijd beroepen. Zo schrijft hij: ‘Maar als we in het verleden al tolerant waren, was dat zeker niet in de moderne zin van het opgewekt vieren van “verscheidenheid”. Nederlanders hebben tot voor kort nauwelijks belangstelling gehad voor de “vreemde” gewoontes van anderen, en de inderdaad aanzienlijke religieuze verscheidenheid sinds de zestiende eeuw werd vooral ervaren als een probleem, waarover men liever zo min mogelijk praatte. Die typisch Nederlandse vorm van “tolerantie” was het resultaat van koele calculatie, niet van feestelijk gevierde culturele diversiteit.’ De recente uitspraken van minister Stef Blok zijn aan de hand van deze oude Hollandse traditie dus geheel te verklaren.

Even verderop veegt Wesseling de vloer aan met het begrip Joods-christelijke cultuur, ‘dat meer lijkt ingegeven door schuldgevoelens over wat de Joden is aangedaan door dragers van de Europese cultuur dan door historische analyses’. En als hij ook nog even wat vooroorlogse antisemitische uitlatingen van ‘beschaafde ‘ Nederlanders citeert, zoals van de dichter Adriaan Roland Holst, die opmerkte: ‘Die Joden zijn afschuwelijk en ik begin de bestaansredenen van pogroms toch enigszins te erkennen’, dan weet je precies hoe menig keurige Nederlander er echt over dacht en misschien nog altijd over denkt. Ik ben benieuwd hoe lang de Adriaan Roland Holststraat zijn naam nog zal behouden.

    • Michel Krielaars