Doodswens moet ‘kraakhelder’ zijn

Euthanasie bij dementie Het tuchtcollege stelt in een uitspraak dat er „geen ruimte voor interpretatie” is bij een onduidelijk opgesteld euthanasieverzoek.

Het regionaal tuchtcollege voor de gezondheidszorg in Den Haag heeft een verpleeghuisarts berispt voor het onzorgvuldig uitvoeren van euthanasie bij een ernstig dementerende vrouw. De euthanasieverklaring van de vrouw was te onduidelijk om aan de hand daarvan euthanasie te verlenen, vond de tuchtrechter.

Ook had de verpleeghuisarts op de dag van de euthanasie niet tegenover de patiënt mogen verzwijgen dat er een einde aan haar leven gemaakt zou worden. Voor de arts een slaapmiddel door de koffie roerde, had ze moeten proberen te overleggen met de demente vrouw.

De uitspraak heeft grote maatschappelijke betekenis. Deze maakt namelijk glashelder dat een diep demente patiënt weliswaar euthanasie kan krijgen, maar alleen als een eerder opgestelde euthanasieverklaring volkomen ondubbelzinnig is.

Dat is ook de waarschuwing die de tuchtrechter heeft willen meegeven aan de samenleving, zei persrechter Renate Dozy na afloop: „Een euthanasieverklaring moet kraakhelder zijn.” Mirna Oosting, jurist bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), noemt de uitspraak „belangrijk voor de samenleving”. Steven Pleiter, directeur van de Levenseindekliniek (die complexe euthanasieverzoeken behandelt): „De wilsverklaring moet duidelijk zijn. Het liefst laat je die opstellen met hulp van iemand die er verstand van heeft.” Het Openbaar Ministerie doet nog onderzoek naar deze zaak.

Onduidelijke wilsverklaring

Het ging in deze zaak om een oud-kleuterleidster die in een verpleeghuis was opgenomen. Zij was zo ernstig dement dat ze ‘wilsonbekwaam’ was. Zij had voor ze dement werd een euthanasieverklaring opgesteld, waarin ze had opgeschreven euthanasie te willen als ze in een verpleeghuis kwam. Maar in dezelfde verklaring staat dat ze euthanasie wilde als ze daar „zelf de tijd voor rijp acht” en pas wanneer ze daar zelf om zou verzoeken.

Die twee opmerkingen zijn tegenstrijdig. Op het moment dat de vrouw in het verpleeghuis kwam, was ze al zo dement dat ze niet meer kon beseffen wat euthanasie was. Ze kon niet meer beslissen of „de tijd rijp” was, en niet meer zelf verzoeken om euthanasie.

Wat dat betreft is deze zaak anders dan de bekend geworden ‘huppekee-euthanasie’. Dat betrof de euthanasie op de 68-jarige Hannie Goudriaan, waarvan de uitvoering werd uitgezonden in de documentaire De Levenseindekliniek (2016). Goudriaan was ook ernstig dement en wilsonbekwaam. Zij zei steeds ‘huppekee weg’ – de arts interpreteerde dat als bevestiging van haar euthanasieverklaring. Veel mensen vonden de documentaire confronterend, omdat ze er niet van overtuigend waren dat Goudriaans ‘huppekee’ inderdaad haar euthanasiewens bevestigde.

Lees hier het interview met de arts die Hannie Goudriaan euthanasie verleende: ‘Het is echt niet huppekee klaar’.

Toch beoordeelde de regionale toetsingscommissie euthanasie het handelen van de arts in die zaak als ‘zorgvuldig’, onder meer omdat Goudriaan voor ze dement werd een duidelijke euthanasieverklaring had opgesteld. Daarin had ze beschreven hoe afhankelijkheid, regieverlies en het onvermogen mensen te herkennen voor haar ondraaglijk zouden zijn. Ze maakte geen voorbehoud over een moment waarop zij nog had willen aangeven euthanasie te willen krijgen.

Oud-kleuterleidster

Het handelen van de verpleeghuisarts in het geval van de oud-kleuterleidster vond de toetsingscommissie euthanasie dus wél ‘onzorgvuldig’. Dat is ook de reden dat de inspectie de zaak voor de tuchtrechter bracht. Tijdens de uitspraak werd duidelijk dat de tuchtrechter zwaar tilt aan de tegenstrijdigheden in het euthanasieverzoek van de oud-kleuterleidster.

Er is „geen ruimte voor interpretatie” bij een onduidelijk opgesteld euthanasieverzoek, zei de tuchtrechter. Dat heeft de verpleeghuisarts wel gedaan: zij woog het lijden van de vrouw zwaarder dan haar kennelijke wens zelf nog iets te zeggen over het moment waarop ze euthanasie kreeg.

Voor de arts was duidelijk dat de vrouw daar verschrikkelijk leed. Ze doolde ’s nachts rond, op muren bonkend, roepend om haar echtgenoot. Ze sloeg, krabde en beet het personeel soms. Communiceren over de wilsverklaring met de patiënt was volgens de arts niet meer mogelijk, omdat ze zo dement was dat ze niet meer begreep wat euthanasie inhield.

Toch had ze niet zelf een afweging mogen maken, maakte de tuchtrechter duidelijk. Want wilde deze vrouw nu euthanasie als ze in een verpleeghuis kwam, of pas als ze daar zelf om verzocht? Het was niet meer te achterhalen, zei de tuchtrechter, en dan kan euthanasie geen optie zijn.

De tuchtrechter neemt het de verpleeghuisarts ook kwalijk dat niet meer naar de dementerende vrouw is geluisterd. Er moet altijd minimaal worden geprobeerd om met de patiënt, hoe dement ook, in gesprek te gaan. Een arts moet proberen uit te leggen wat er gebeurt, ook al denkt de arts dat de patiënt dat vanwege de dementie niet meer kan begrijpen. Stribbelt diegene tegen, dan moet de euthanasie worden afgebroken.

Een berisping is een van de lichtere straffen die een tuchtcollege kan opleggen. De tuchtrechter is namelijk wel van mening dat de verpleeghuisarts, die inmiddels met pensioen is, met de beste bedoelingen heeft gehandeld.

De verpleeghuisarts is „teleurgesteld” over de uitspraak, laat ze weten via haar advocaat Mieke de Die. Ze gaat in hoger beroep.

    • Enzo van Steenbergen