De pijn van het zijn: zwarte humor als troost bij Kamagurka

Kamahumor Kamagurka gebruikt soms schokkende zwarte humor in zijn cartoons en schilderijen. In het boek bij de expositie ‘Kamagurkistan, Voorbij de grenzen van de ernst’ analyseert Kim Ouweleen die humor.

Voor het landschap moet je hier niet zijn (2001, acryl op papier, 75x140cm) Kamagurka

Choquerende, pijnlijke gebeurtenissen uit het wereldnieuws worden door Kamagurka aangescherpt en daardoor tegelijkertijd gerelativeerd. Zo tekende hij in januari 2005 een drijvend lijk met daarop twee dolblije figuurtjes, naar aanleiding van de verwoestende tsunami in de Indische Oceaan die honderdduizenden slachtoffers opeiste. Het bijschrift luidde: „Thailand. Twee kinderen gered door Duitse pedofiel.”

Thailand (2005, inkt op papier). Gepubliceerd op de voorpagina van NRC Handelsblad op 5 januari 2005. Rechts:. Kamagurka

De omstreden tsunami-cartoon uit 2005 veroorzaakte een flinke heisa toen ze gepubliceerd werd in NRC Handelsblad. De hoofdredactie beantwoordde eerder al inzendingen van verontruste lezers met de woorden van Socrates uit Plato’s Symposion: „De ware dichter moet tragisch en komisch tegelijk zijn, en het hele leven van de mens moet beschouwd worden als een mengeling van tragedie en komedie.”

Deze macabere tekening is in de eerste plaats een reactie op de wreedheid van het bestaan. Ze benadrukt de onrechtvaardigheid van ons noodlot. Tegelijkertijd doet Kamagurka nog een schepje bovenop de pijn van het moment – veroorzaakt door de tsunami – door er een ander wringend onderwerp bij te halen: de (kinder)prostitutie-industrie waar zo veel buitenlanders voor naar Thailand reizen. De timing van het aanhalen van dit onderwerp lijkt misschien vreemd, maar is essentieel in de boodschap van Kamagurka. Folkert Jensma, toenmalig hoofdredacteur van NRC, verwoordde dit fraai:

„Kamagurka stelt in zijn tekeningen de normatieve reactie op het nieuws ter discussie, de gewenste manier van kijken: in dit geval het universele medeleven dat geen tegenspraak duldt, omdat er immers niets ergers kan zijn dan dit. Maar dat is er juist wel, in Congo bijvoorbeeld, de Soedan, de aids-crisis in Afrika. Alleen is daar het zicht nu volledig op weggenomen. Geen wonder dat Kamagurka weerstand oproept.”

Een gegeven als kinderprostitutie is geheel op het conto te schrijven van de mens, in tegenstelling tot de tsunami. Met de tekening gebruikt Kamagurka het pathos, het lijden van het moment, om te wijzen op de menselijke gebreken die wij niet mogen vergeten. Het is de Pijn van het Zijn, zoals de titel luidt van de plaat die Kamagurka in 1987 opnam met zijn band De Vlaamse Primitieven. Kamagurka zingt:

Ik heb geen ideeën

die in mij ontluiken

De wereld is rot

Al de mensen zijn zot

Hun koppen, hoe lelijk

Hun schoenen, zo lelijk

Er rest mij geen hoop

waarheen ik ook loop

’T is de pijn van het zijn

waarin ik verdwijn

De cynische humor die voortkomt uit de meest choquerende tekeningen van Kamagurka, vindt zijn oorsprong in het verrassingselement. De ongelofelijke absurditeit van de pijnlijke werkelijkheid versterkt hij aan de hand van het onverwachte. Via rare verdraaiingen zet hij zijn publiek op het verkeerde been. Door schokkende situaties plotsklaps nog erger te maken dan zij al zijn, verschaft Kamagurka zichzelf een vorm van houvast en daarmee ook de lezer. De grip op de realiteit die niet bestaat, verkrijgt hij door de situatie met zijn cartoons naar zijn eigen hand te zetten. Dit expliciet chargeren van de krochten van het menselijk brein en de onvoorspelbaarheid van het leven, leidt tot een narrige vorm van humor. Eentje die de waan van het bieden van troost overslaat en daardoor juist een vorm van troost biedt.

Kamagurka vertelt in zijn interview voor Rubriek 700 van Canvas uit 2001:

„Ik denk dat humor een normale uiting is van mensen die beginnen te beseffen dat dingen verkeerd kunnen gaan in het leven. [...] Ik meen dat humor, althans mijn humor, ook veel te maken heeft met het paranoïde. Soms ben ik tamelijk paranoia in mijn fantasieën. Veel sneller fantaseer ik allerlei ongelukken dan dat ik er één tegenkom. En als ik er dan één tegenkom is het dikwijls zo van ‘ah, is het maar dat?’”

En in een interview met Vrij Nederland uit 2013:

Waar zijn kolkende creativiteit uit voortkomt? „Ik denk uit angst. Angst voor het leven, voor de dood, voor allerlei dingen. Tekenen werkt beter tegen angst dan wat dan ook. Dat had ik al vroeg door.”

Precies deze zelfbescherming die blijkt uit de tekeningen van Kamagurka, is ook een vorm van waarschuwing die zijn weg vindt naar de kijker. Gewaarschuwd en wel is het de grap van de overdrijving, maar ook de komische ontlading die het publiek daardoor ten deel valt. Wij worden weggerukt uit onze emotionele toestand door de overdreven naargeestigheid van Kamagurka’s cartoons. Daardoor bekijken we treurige gebeurtenissen als de tsunami in 2004 vanuit de positie van een buitenstaander. Door te choqueren verkrijgt Kamagurka het humoristische effect dat Henri Bergson beschrijft als voortkomend uit het intellect.

De lach fungeert voor gespannen of angstige mensen als een bevrijding van opgekropte stress. Dit is de ontladingstheorie die Herbert Spencer (1820-1903), onder meer Brits filosoof en bioloog, in de negentiende eeuw bedacht en die Sigmund Freud 45 jaar later in meer detail uit zou werken. Spencers uitleg van de lach is gebaseerd op het idee dat emoties de vorm aannemen van ‘nerveuze energie’. In zijn essay On the Physiology of Laughter uit 1860 constateert Spencer dat een overvloed aan emoties een lichamelijke reactie tot gevolg heeft. Wanneer wij bijvoorbeeld boos zijn, zorgt nerveuze energie ervoor dat wij kleine agressieve bewegingen maken, zoals het ballen van een vuist. Als die boze energie een kritiek punt bereikt, vallen we iemand aan. Hetzelfde geldt voor angst: wanneer we angstig zijn, zorgt de nerveuze energie voor kleine bewegingen die ons voorbereiden om te vluchten. En als de energie het kritieke punt bereikt, rennen we daadwerkelijk weg.

In dit licht ziet Spencer de lach ook als een ontlading van energie. De lach echter, schrijft Spencer, is een beweging die geen praktisch nut heeft in tegenstelling tot bijvoorbeeld wegrennen door angst. De lach heeft geen doel en dient in die zin puur voor het loslaten van energie. Maar waar komt dan die lach vandaan? Volgens Spencer komt de lach voort uit energie van emoties die ongepast blijken te zijn. Hij beschrijft hoe een abrupte onderbreking van ideeën en gevoelens ervoor zorgt dat nerveuze energie niet langer de oorspronkelijke emoties kan dienen en op dat moment op zoek gaat naar een nieuw kanaal. Wanneer er een overheersende nieuwe emotie volgt, kan de nerveuze energie langs deze weg afgevoerd worden, bijvoorbeeld in de vorm van verontwaardiging of boosheid – denk aan de woedende reacties op Kamagurka’s cartoons. Wanneer dit echter niet het geval is, wordt de energie losgelaten in de vorm van een lach, die Spencer beschrijft als een ‘quasi-compulsieve samentrekking van spieren’.

Vaak komt de onderbreking van onze emoties in de kunst van Kamagurka voort uit een plotse wending, een tegenstelling die we niet verwachten. Soms ontstaat die tegenstelling uit het contrast tussen de afbeelding en de titel, maar vaak ook uit het onderwerp van de voorstelling zelf. Een goed voorbeeld is de cartoon van een aangereden man die duidelijk dood is. Zijn ingewanden liggen als spaghetti over de straat verspreid en twee voorbijgangers staan ernaar te kijken. Misschien hebben ze het ongeluk zien gebeuren, misschien ook niet, maar hoe dan ook worden ze geconfronteerd met de gruwelijkheid van de dood. Waarop de een tegen de ander zegt: „Zullen we iets gaan eten?” Als we eerst de tekening zien, worden we aanvankelijk vervuld van emoties als afschuw of medelijden. Lezen we vervolgens de tekstballon, dan blijken onze emoties haaks te staan op die van de gedesinteresseerde spreker in de cartoon. Hierdoor wordt volgens Spencer de nerveuze energie van ons medelijden ongepast en overbodig, waardoor zij een uitlaatklep zoekt. Die uitlaatklep kan zich manifesteren in een lach, wanneer ons lichaam geen nieuw doel vindt voor de energie. Wanneer het onderwerp ons echter na aan het hart ligt, kan de energie die oorspronkelijk bedoeld was voor ons medelijden, plotsklaps gebruikt worden voor een nieuwe emotie. Bijvoorbeeld woede.

In 1894 beschreef de Amerikaanse filosoof John Dewey een versie van de ontladingstheorie die lijkt op die van Spencer. Dewey zag de lach als „de markering van het einde van een periode van suspense of verwachting. Het is een plotse ontspanning van spanning, via de ademhaling en het spraakkanaal. De lach is dus een fenomeen van dezelfde algemene soort als de zucht van opluchting.”

Het was Sigmund Freud (1856-1939) die in 1905 bekendheid zou geven aan de ontladingstheorie met zijn analyses in Der Witz und seine Beziehung zum Unbewussten (Nederlandse vertaling: ‘De grap en haar relatie met het onbewuste’). Freud, beïnvloed door de geschriften van de Duitse filosoof Theodor Lipps, onderscheidt drie verschillende situaties van de lach: der Witz (de grap), das Komische en Humor. In alle drie laat de lach nerveuze energie vrij die oorspronkelijk een psychologische taak dient, maar overbodig wordt wanneer die taak wordt opgeheven. Freud beschrijft hoe de energie die tot uiting komt in de lach genot verschaft, omdat die lach de energie bespaart die normaliter gebruikt zou worden om psychische activiteiten in bedwang te houden of te onderdrukken.

Spuug, stront, bloed en braaksel versterken de flauwe grappen

In de tweede helft van de twintigste eeuw hebben onderzoekers en schrijvers als D.E. Berlyne (Conflict, Arousal and Curiosity, 1960), S. Clapier-Valladon (On Laughter, 1983) en J. Morreall (Taking Laughter Seriously, 1983) onderschreven dat humor stress vermindert en een tijdelijke uitweg biedt voor de ellende van het leven. De macabere grap is een middel om emoties als angst en verdriet te herscheppen. In die zin gebruikt Kamagurka zwarte humor als methode om de gruwel van alle dag te verwerken. De lach als hoop.

Binnen het onderwerp van zwarte humor en in lijn met de geschriften van Freud, is Kamagurka’s werk tot slot interessant in relatie tot de theorieën over het abjecte. Abjectie komt van het Latijnse ‘ab – iacere’ dat zoveel betekent als ‘weg – werpen’. Het abjecte is het verwerpelijke, het lelijke, het afstotelijke, dat wat grenzen overschrijdt. De verwerping, de abjectie, is een menselijke reactie (horror) op een dreigend breekpunt in betekenis die veroorzaakt wordt door het verlies van het onderscheid tussen subject en object of tussen het zelf en de ander.

Kamagurka’s humor is tegendraads en rebels. In zijn kunst speelt hij met het verwerpelijke, niet per se omdat hij hier plezier uit haalt, maar omdat het erbij hoort. Net als Roland Topor schopt Kamagurka tegen het zere been, omdat het been nou eenmaal zeer is. Het verwerpelijke is een taboe en wat taboe is, wordt doorbroken. De contemporaine Frans- Bulgaarse filosofe en psychoanalytica Julia Kristeva beschrijft de dood als de ultieme vorm van abjectie, „[...] wat identiteit, systeem, orde verstoort. Wat grenzen, posities, regels niet respecteert. Het er-tussen-in, het ambigue, het gemengde.” Maar ook de overschrijdingen van het lichaam kunnen in de theorieën van Kristeva eenzelfde verwerping als reactie veroorzaken: de open wond, riolering, stront, bloed en andere vormen van uitwerpselen of uitscheiding, en zelfs het velletje dat zich vormt op het oppervlak van warme melk. Een door Kristeva gebruikt voorbeeld. Deze overschrijdingen vervagen de grenzen van binnen en buiten het lichaam en staan daarmee symbool voor de grenzen van het menselijk leven.

Spuug, stront, bloed en braaksel versterken zowel de flauwe grappen alsook de afschuwelijkheid van de monsters die in Kamagurkistan leven. Het zijn hybride wezens die het ‘in-between’ van Kristeva’s abjectie vertegenwoordigen en ook passen binnen de freudiaanse theorieën over het perverse van de Franse psychoanalytica Janine Chasseguet-Smirgel. Chasseguet-Smirgel beschrijft de drang van de perverseling naar het vermengen van verschillende werelden, wat terugkeert in het begrip ‘hybriditeit’; het Griekse ὕβρις (hubris = overmoed) als tegenpool van νόμος (nomos = de wet) dat letterlijk betekent ‘dat wat in delen is opgedeeld’. Hybriditeit is het streven van de opheffing van categorieën door de kunstenaar, de tegenpool van de hokjesmentaliteit van de maatschappij in de vorm van nomos. Kamagurka’s tegendraadse mentaliteit keert terug in zijn vermenging van schepsels die gedeeltelijk mens lijken te zijn, maar ook een dierlijk en monsterlijk voorkomen hebben en zelfs overeenkomsten met levenloze objecten vertonen. Het zijn menselijke mormels met uitpuilende ogen en vooruitstekende tanden of rare, soms enge wezens met vervormingen en missende ledematen. Uit de vervormingen van deze creaturen spreekt Kamagurka’s preoccupatie met de nutteloosheid van ons streven naar succes en schoonheid:

Lees ook deze bespreking van de tentoonstelling die Kamagurka in 2002 in het Stedelijk Museum Amsterdam had: Betekenisloze poppetjes van Kamagurka

„In de vorm falen we voortdurend. De huizen die we bouwen, de wegen die we aanleggen, de uitvindingen die we doen. Het lichaam dat we opblazen door te sporten of met anabole steroïden. En uiteindelijk pruttelt het leven, verschrompelt het en gaat het dood: voer voor de wormen. Alleen de geest gaat verder.” (Zeebroek, 2002)

Kamagurka neemt ons in zijn werk mee naar twee werelden. Een ervan wordt bevolkt door de vertrouwde mens met zijn dierlijke, bekrompen innerlijk. Door die bekrompenheid expliciet te maken, lachen wij om onszelf. Anderzijds bewandelen wij de ongebaande paden van een intimiderende wereld van monsterlijke gedrochten, waar wij opgelucht om kunnen zijn, wetende dat ze gelukkig niet bestaan. In beide werelden confronteert Kamagurka ons met verwerpelijkheid en gevaar. Wanneer we terugkeren naar de realiteit kunnen wij met een flauw besef van onze nietigheid geamuseerd in de spiegel kijken.

Dit is een hoofdstuk uit Kamagurkistan, Voorbij de grenzen van de ernst door Kim Ouweleen. Uitgeverij Waanders & De Kunst. 192 pagina’s. €24,95.
    • Kim Ouweleen